Denguevaccin

Stofnaam
Denguevaccin
Merknaam
Qdenga
ATC code
J07BX04
Doseringen
Nierfunctiestoornissen

Produkten, hulpstoffen, toediening en tekorten
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen

Interacties
Eigenschappen (PD/PK)

Registratiestatus
Middelen uit dezelfde ATC groep
Referenties
Versiebeheer

Eigenschappen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Levend, verzwakt denguevirus serotype 1, 2, 3 en 4 (tetravalent vaccin), geproduceerd in Vero-cellen met behulp van recombinant DNA-technologie. Het geeft een humorale en cellulaire immuunrespons tegen de vier serotypen van het denguevirus. Dengue (knokkelkoorts) wordt veroorzaakt door een virus dat wordt verspreid door muggen (Aedes-muggen).

Farmacokinetiek bij kinderen

Er zijn geen farmacokinetische onderzoeken uitgevoerd.

Label dosisadvies Kinderformularium

On-label

Toon SmPC tekst Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Actieve immunisatie tegen dengue (knokkelkoorts):
≥ 4 jaar: 2 doses met 3 maanden interval 

 

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Poeder voor injectievloeistof; 1 dosis + 0,5 ml  oplosmiddel 

Overige info toediening/beschikbaarheid

Informatie over geneesmiddeltekorten

Doseringen

Actieve immunisatie tegen dengue (knokkelkoorts)
  • Subcutaan
    • 4 jaar tot 18 jaar
      • 0,5 ml/dosis 2 doseringen met 3 maanden tussentijd.

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.

Bijwerkingen bij kinderen

Bijwerkingen die vaker werden gemeld bij kinderen dan bij volwassenen waren koorts (11% tegenover 3%), infectie van de bovenste luchtwegen (11% tegenover 3%), nasofaryngitis (6% tegenover 0,6%), faryngotonsillitis (2% tegenover 0,3%) en griepachtige ziekte (1% tegenover 0,1%).

Bijwerkingen die minder vaak werden gemeld bij kinderen dan bij volwassenen waren erytheem op de injectieplaats (2% tegenover 27%), misselijkheid (0,03% tegenover 0,8%) en artralgie (0,03% tegenover 1%)

 Bij kinderen < 6 jaar:
Zeer vaak (>10%)verminderde eetlust, slaperigheid, prikkelbaarheid.

Bijwerkingen algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Zeer vaak (> 10%): Pijn en roodheid op de injectieplaats, malaise, asthenie, koorts. Bovensteluchtweginfectie. Hoofdpijn. Spierpijn. 

Vaak (1-10%): Zwelling, hematoom en jeuk op de injectieplaats. Griepachtige ziekte. Nasofaryngitis, (faryngo)tonsillitis. Artralgie.

Soms (0,1-1%): bloeding en verkleuring op de injectieplaats. Vermoeidheid. Bronchitis, rinitis. Duizeligheid. Diarree, misselijkheid, buikpijn, braken. Huiduitslag, jeuk, urticaria.

Zeer zelden (< 0,01%): angio-oedeem.

Voorbijgaande vaccinviremie met voorbijgaande, lichte tot matige symptomen, zoals hoofdpijn, artralgie, myalgie en huiduitslag, is zeer vaak waargenomen (ca. 49% bij niet eerder besmette personen en ca. 16% bij eerdere besmette personen). Meestal beginnend in de tweede week na de eerste injectie en met een gemiddelde duur van 4 dagen. Vaccinviremie is zelden waargenomen na de tweede dosis.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contra-indicatie algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

  • Aangeboren of verworven immuundeficiëntie, met inbegrip van immunosuppressieve therapieën zoals chemotherapie of hoge doses systemische corticosteroïden (bv. prednison 20 mg/dag, of 2 mg/kg lichaamsgewicht/dag, gedurende 2 weken of meer) binnen 4 weken vóór vaccinatie;
  • Symptomatische HIV-infectie, of een asymptomatische HIV-infectie met daarbij bewijs van een verstoord immuunsysteem;
  • Zwangerschap;
  • Lactatie.

Waarschuwingen en voorzorgen algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Vaccinatie uitstellen bij acute ernstige ziekte gepaard gaande met koorts of een acute infectie. Bij aanwezigheid van een lichte infectie en/of lichte koorts hoeft de vaccinatie niet uitgesteld te worden.

Vanwege kans op anafylaxie dient er toezicht en adequate behandeling beschikbaar te zijn na toediening.

De beschermende immuunrespons kan na vaccinatie niet voldoende zijn tegen alle serotypen, of afnemen in de loop der tijd. Het is niet bekend of een gebrek aan bescherming kan resulteren in een verhoogde ernst van dengue. Na vaccinatie persoonlijke beschermende maatregelen blijven nemen tegen muggenbeten. Informeer patiënt om medische hulp in te roepen bij symptomen of waarschuwingstekenen van dengue.

Interacties Bron: KNMP Kennisbank

Interacties vaccins algemeen:

Gelijktijdig geven van vaccins

  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met andere dode vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • parenteraal toegediende levende vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met oraal toegediende levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • twee parenteraal toegediende levende vaccins worden bij voorkeur met een interval van ten minste 4 weken toegediend. Reden hiervoor is het induceren van de productie van interferonen gedurende 1-2 weken door het ene vaccin, die kunnen interfereren met de immuunrespons op het andere vaccin. Indien dit niet mogelijk is, kunnen ze ook tegelijkertijd worden toegediend.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten

Deze kunnen specifieke antistoffen bevatten tegen het virus in het toegediende levende virusvaccin, waardoor de immuunrespons kan worden verzwakt. Het levende virusvaccin dient ten minste 14 dagen voor (bij ebolavaccin en varicellavaccin wordt aangegeven 1 maand) of ten minste 6 weken na (bij voorkeur 3 maanden, bij varicellavaccin wordt aangegeven 5 maanden) toediening van immunoglobulinen, bloed of bloedproducten te worden gegeven.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten van Nederlandse donoren bevatten geen antistoffen tegen het gelekoortsvirus; deze mogen gelijktijdig worden gegeven met het gelekoortsvaccin.

Relevant:
Levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde Middelen bij inflammatoire aandoeningen, veel oncolytica) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectieziekte veroorzaken. Deze combinaties moeten worden vermeden. Combinatie met corticosteroïden is in het algemeen gecontraïndiceerd zolang het corticosteroïd immunosuppressie veroorzaakt, met name bij systemisch gebruik langer dan 2 weken, echter niet bij suppletie en niet bij lokale toepassing (behalve bij grote oppervlakken onder occlusie). Oncolytica zijn: cytostatische oncolytica, CDK4- en CDK6-remmers (abemaciclib, palbociclib, ribociclib), PARP-remmers (niraparib, olaparib, rucaparib, talazoparib), proteasoomremmers (bortezomib, carfilzomib, ixazomib), tyrosinekinaseremmers met immunosuppressieve werking (zie aldaar), monoklonale antilichamen bij kanker met immunosuppressieve werking (zie aldaar), alemtuzumab, alpelisib, duvelisib, idelalisib, en overige oncolytica met een cytostatische werking (aminolevulinezuur, amsacrine, arseentrioxide, asparaginase, axicabtagen ciloleucel, eribuline, hydroxycarbamide, lenalidomide, mitotaan, panobinostat, pegaspargase, pomalidomide, talimogeen laherparepvec, temoporfine, tisagenlecleucel, trabectedine, venetoclax)

Tijdens het gebruik van monoklonale antilichamen bij kanker die immunomodulerend werken (zie aldaar) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken, en kan vaccinatie sowieso niet of minder effectief zijn gezien het ontbreken van een adequate immuunrespons. De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (zie hierboven bij levende vaccins) kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan. Griepvaccinatie wordt sowieso aanbevolen bij personen met verminderde weerstand tegen infecties (bijvoorbeeld door immunosuppressieve medicatie of chemotherapie).

Geen interactie:
In de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met lokaal toegediend pimecrolimus of tacrolimus.

VIRALE VACCINS

Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.

ENCEPHALITISVACCINS
J07BA02

Tekenencefalitis vaccin

FSME-Immun, FSME-Immun junior
J07BA01
INFLUENZAVACCINS

Influenzavaccin

Influvac, Influvac Tetra, Vaxigrip
J07BB02
HEPATITISVACCINS

Hepatitis A vaccin

Havrix Junior, Havrix, Vaqta, Avaxim
J07BC02

Hepatitis B vaccin

Engerix B Junior; HBVaxPro
J07BC01
MAZELENVACCINS
J07BD52
POLIOMYELITISVACCINS
J07BF03
RABIESVACCINS

Rabiësvaccin

Geinactiveerd Rabiesvaccin Merieux HDCV, Verorab
J07BG01
ROTAVIRUSDIARREEVACCINS
J07BH01
VARICELLAZOSTERVACCINS
J07BK01
GELEKOORTSVACCINS

Gelekoortsvaccin

Stamaril
J07BL01
PAPILLOMAVIRUSVACCINS
J07BM02
J07BM03
OVERIGE VIRALE VACCINS

COVID-19 vaccin

Spikevax (Moderna Biotech), Comirnaty (Pfizer BV)
J07BX03

Referenties

Wijzigingen

  • 17 mei 2023 10:11: NIeuwe monografie obv SmPC

Therapeutic Drug Monitoring


Overdosering