Blinatumomab

Stofnaam
Blinatumomab
Merknaam
Blincyto
ATC code
L01XC19
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

Ph-, CD19 pos precursor-B-ALL, refractiar of recidief: <1 jaar: Off-label
>
1 jaar: On-label

Ph-, CD19 pos precursor-B-ALL in eerste of tweede complete remissie, met minimale restziekte (MRD) groter dan of gelijk aan 0,1%: Off-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Behandeling van refractaire of recidiverende Ph-, CD19 pos precursor-B-ALL:
> 1 jaar:
< 45 kg:
CYCLUS 1
Dag 1-7: 5 microg/m2/dag continue infuus, max 9 microg/dag;
Dag 8-28: 15 microg/m2/dag, max 28 microg/dag
Dag 29-42: Behandelingsvrij interval
CYCLUS 2
Dag 1-28: 15 microg/m2/dag continue infuus, max 28 microg/dag;
Dag 29-42: Behandelingsvrij interval

> 45 kg:
CYCLUS 1
Dag 1-7: 9 microg/dag continue infuus
Dag 8-28: 28 microg/dag.
Dag 29-42: Behandelingsvrij interval
CYCLUS 2
Dag 1-28: 28 microg/dag continue infuus
Dag 29-42: Behandelingsvrij interval

Indien na 2 cycli een complete remissie is bereikt, kunnen 3 extra consolidatie cycli worden gegeven.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Poeder voor infusieopl. 38.5 microg + 10 ml oplosm

Eigenschappen

Bispecifieke T-cel-koppelaar (BiTE; antilichaamconstructie). Bindt specifiek aan CD19 op het oppervlak van B-cellen en aan CD3 op het oppervlak van T-cellen. Het activeert T-cellen door CD3 in het T-celreceptorcomplex (TCR) te binden aan CD19 op zowel goedaardige als kwaadaardige B-cellen. Blinatumomab medieert zo de vorming van een cytolytische synaps tussen de T-cel en de tumorcel, waarbij proteolytische enzymen vrijkomen om delende en rustende CD19-positieve cellen te doden. Dit gaat gepaard met een tijdelijke up-regulatie van celadhesiemoleculen, productie van cytolytische eiwitten, afgifte van inflammatoire cytokinen en proliferatie van T-cellen.

Kinetische gegevens

7 mnd-17 jaar, n=93 Geschat gemiddelde
Vd (l/m2) 3,91
Cl (l/uur/m2) 1,88
T1/2 (uur) 2,19

Bron: SmPC

Doseringen

Indicatie: Als monotherapie bij Philadelphia-chromosoom-negatieve, CD19-positieve precursor-B acute lymfoblastenleukemie (ALL) refractair of recidiverend OF in de eerste of tweede complete remissie, met minimale restziekte (MRD) groter dan of gelijk aan 0.1%
  • Intraveneus
    • ≥ 1 maand en < 45 kg
      [1] [4]
      • Startdosering: Dosis en dosisfrequentie van cytostatica zijn afhankelijk van de aandoening en sterk aan nieuwe inzichten onderhevig. Cytostatica worden in de oncologie/hematologie veelal in combinatie gebruikt. Om deze redenen wordt verwezen naar de gedetailleerde behandelprotocollen. Als indicatie wordt de volgende dosering van de fabrikant genoemd: CYCLUS 1
        Dag 1-7
        5
        microg./m2/dag continu infuus , max: 9microg./dag
      • Onderhoudsdosering: Dag 8-28 15 microg./m2/dag continu infuus , max: 28microg./dag   Dag 29-42: Behandelingsvrij interval
        CYCLUS 2:
        Dag 1 -28: continueer de bovenstaande onderhoudsdosering
        Dag 29-42: Behandelingsvrij interval
        • 6-12 uur voorafgaand aan elke cyclus (cyclus 1, dag 1) dexamethason 10 mg/m2, max 20 mg PO of IV,
        • gevolgd door dexamethason 5 mg/m2 PO of IV binnen 30 minuten vanaf de start van blinatumomab infuus.
    • ≥ 1 maand en ≥ 45 kg
      [1] [4]
      • Startdosering: Dosis en dosisfrequentie van cytostatica zijn afhankelijk van de aandoening en sterk aan nieuwe inzichten onderhevig. Cytostatica worden in de oncologie/hematologie veelal in combinatie gebruikt. Om deze redenen wordt verwezen naar de gedetailleerde behandelprotocollen. Als indicatie wordt de volgende dosering van de fabrikant genoemd: CYCLUS 1
        Dag 1-7
        9
        microg./dag continu infuus
      • Onderhoudsdosering: Dag 8-28 28 microg./dag continu infuus   Dag 29-42: Behandelingsvrij interval
        CYCLUS 2:
        Dag 1 -28: continueer de bovenstaande onderhoudsdosering
        Dag 29-42: Behandelingsvrij interval
        • 6-12 uur voorafgaand aan elke cyclus (cyclus 1, dag 1) dexamethason 10 mg/m2, max 20 mg PO of IV,
        • gevolgd door dexamethason 5 mg/m2 PO of IV binnen 30 minuten vanaf de start van blinatumomab infuus.

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.

GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.

Bij milde nierfunctiestoornissen is aanpassing niet nodig. Er zijn geen gegevens bekend over patienten met ernstige nierfunctiestoornissen.

Bijwerkingen bij kinderen

Bij kinderen komen de volgende bijwerkingen vaker voor: infusiegerelateerde reacties, hypertensie, koorts, gewichtstoename, anemie, trombocytopenie en leukopenie.

Bijwerkingen bij volwassenen

Zeer vaak (> 10%): infecties, niet gespecificeerd (bij ca. 42%; de verwekker kan een bacterie, virus, schimmel, of ander pathogeen zijn; fataal verloop is mogelijk). Infusiegerelateerde reacties (bij ca. 43%, met symptomen als (erythemateuze) huiduitslag, gezichtsoedeem, myalgie, tachypneu, acute nierbeschadiging, hypo- en hypertensie, cytokineafgiftesyndroom en koorts). Cytokineafgiftesyndroom (met symptomen als koorts, koude rillingen, tachycardie, bloeddrukdaling, bronchospasmen, hoofdpijn, misselijkheid, braken, buikpijn, diarree, verhoogd totaal bilirubine). Hypotensie. Hoest. Hoofdpijn (ca. 34%), tremor. Slapeloosheid. Tachycardie. Misselijkheid, braken, diarree, obstipatie, buikpijn. Huiduitslag (erythemateus, maculeus, maculopapuleus). Rugpijn, pijn in extremiteit. Koorts (ca. 69%), koude rillingen, vermoeidheid, oedeem. Stijging leverenzymwaarden. (Febriele) neutropenie, leukopenie, anemie, trombocytopenie, verlaagde immunoglobulinen (incl. hypogammaglobulinemie).

Vaak (1–10%): pneumonie, sepsis. Overgevoeligheid. Tumorlysissyndroom. Hypertensie, blozen. Encefalopathie (fataal verloop mogelijk), convulsie, paresthesie, afasie, ataxie, hersenzenuwaandoening, hypo-esthesie, cognitieve stoornis, geheugenstoornis, duizeligheid, slaperigheid. Verwardheid, desoriëntatie. Dyspneu, piepende ademhaling, productieve hoest, respiratoir falen. Botpijn. Pijn en ongemak ter hoogte van de borst. Hyperbilirubinemie. Lymfopenie, leukocytose.

Soms (0,1–1%): capillaire-leksyndroom. Cytokinestorm. Inspanningsdyspneu, acuut respiratoir falen. Pancreatitis (mogelijk fataal). Spraakstoornis. Hemofagocytaire histiocytose, lymfadenopathie.

Verder zijn gemeld: leuko-encefalopathie (progressieve multifocale leuko-encefalopathie is nog niet gemeld).

 

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Voorafgaand aan en tijdens de behandeling leverenzymwaarden (ALAT, ASAT, γGT) en totaal bilirubine in het bloed controleren, vooral tijdens de eerste 3 dagen van de eerste 2 cycli. Verhogingen van de enzymwaarden worden meestal in de eerste week van de behandeling waargenomen en zijn meestal voorbijgaand zonder onderbreking of stoppen van de behandeling. Soms is echter onderbreken of definitief staken van de behandeling noodzakelijk.

De kans op het tumorlysissyndroom is groter bij een hoge tumorlast en bij een verminderde nierfunctie. Naast het toepassen van premedicatie is bij iedere patiënt intensieve controle van de nierfunctie en vochtbalans noodzakelijk. Premedicatie wordt ook aangewend ter preventie van ernstige infusiereacties.

Infusiereactie en cytokineafgiftesyndroom zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden en treden doorgaans op binnen 2 dagen na de start van de behandeling; soms komen uitgestelde infusiereacties voor of infusiereacties in latere cycli. Het cytokineafgiftesyndroom gaat vaak gepaard met gedissimineerde intravasale stolling (DIC) en capillaire-leksyndroom; tevens is melding gemaakt van hemofagocytaire lymfohistocytose/macrofaagactivatiesyndroom (MAS). Controleer de patiënt goed op symptomen van infusiereactie en cytokineafgiftesyndroom, vooral in het begin van de eerste en tweede cyclus. Om de kans op het cytokineafgiftesyndroom zo klein mogelijk te houden, de aanbevolen startdosering (cyclus 1, dag 1-7) nauwkeurig opvolgen.

Neurologische bijwerkingen kunnen ernstig zijn en zelfs fataal verlopen. De mediane tijd tussen de start van de behandeling en het optreden van deze bijwerkingen is 2 tot 4 weken. Het merendeel van deze bijwerkingen is reversibel na staken van de behandeling. Ouderen en patiënten met een voorgeschiedenis van neurologische klachten hebben meer kans op neurologische bijwerkingen. Vanwege de exclusiecriteria van de klinische onderzoeken is er beperkte ervaring bij een eerder doorgemaakte of bestaande klinisch significante aandoening van het CZS zoals epilepsie, parese, CVA, afasie, ziekte van Parkinson en psychose. In verband met de verwachte grotere kans op neurologische bijwerkingen zeer voorzichtig zijn met het toedienen van blinatumomab bij aanwezigheid van deze aandoeningen. Het wordt aanbevolen vóór de start van de behandeling bij elke patiënt neurologisch onderzoek uit te voeren en tijdens de behandeling elke patiënt te monitoren op klachten en verschijnselen; onderbreking of definitief staken van de behandeling kan nodig zijn. Bij optreden van convulsies wordt secundaire profylaxe met een geschikt anti-epilepticum (bv. levetiracetam) aanbevolen.

Het optreden van ernstige infecties, waarvan sommige levensbedreigend of fataal, komt vaker voor bij een baseline ECOG (Eastern Cooperative Oncology Group performance status)-score ≥ 2 dan bij < 2. Controleer nauwkeurig op klachten en verschijnselen van infectie; onderbreken of definitief staken van de behandeling kan nodig zijn. Ook reactivatie van latente virussen (bv. polyoomvirus (BK-virus)) is waargenomen. Neutropenie (met of zonder koorts) kan levensbedreigend zijn. Controleer gedurende de infusieperiode regelmatig het bloedbeeld, vooral tijdens de eerste 9 dagen van de eerste cyclus.

Levensbedreigende pancreatitis is gemeld. Mogelijk dat een hoge dosis corticosteroïden hierbij een rol heeft gespeeld. De mediane tijd tot optreden van pancreatitis is 7,5 dagen. Controleer nauwgezet op klachten en verschijnselen van pancreatitis; lichamelijk onderzoek, bepalingen van serumamylase en -lipase en beeldvormend onderzoek (bv. echografie) van de buik kunnen nodig zijn. Onderbreek of staak zonodig de behandeling.

Risicofactoren voor optreden van leuko-encefalopathie zijn craniale bestraling en antileukemische chemotherapie (waaronder systemisch methotrexaat in hoge doses of intrathecaal cytarabine). Controleer op klachten en verschijnselen en overweeg bij verdachte verschijnselen een neuroloog te raadplegen.

 

Interacties

Interacties monoklonale antilichamen bij kanker algemeen:

Relevant: de meeste cytostatische oncolytica (niet de tyrosinekinaseremmers en de monoklonale antilichamen) kunnen het effect van VKA's op vele manieren beïnvloeden. Hierdoor kan/zal de verlenging van de stollingstijd sterker fluctueren. Bovendien kan chemotherapie trombocytopenie veroorzaken. Trombocytopenie bij gebruik van VKA's geeft een extra verhoogde bloedingsneiging. Voor de meeste cytostatische oncolytica is toename van de werking van de VKA gemeld, voor mercaptopurine en mitotaan is afname van de werking gemeld. Behalve enzymremming spelen ook andere factoren een rol, zoals de ziekte kanker zelf en chemotherapie gerelateerde factoren, zoals braken en leverinsufficiëntie door metastasen.

Levende vaccins: vanwege de immunosuppressieve werking van veel oncolytica kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. Dit geldt ook voor de monoklonale antilichamen en de tyrosinekinaseremmers met immunosuppressieve werking (zie aldaar). De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens gebruik van oncolytica die immunosuppressief werken kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan.

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen van natuurlijke oorsprong.

Niet beoordeeld: omega-3-vetzuren verminderen de effectiviteit van sommige oncolytica. KWF Kankerbestrijding ontraadt visoliesupplementen of vette vis te gebruiken vanaf 24 uur voorafgaand aan chemotherapie met irinotecan of platinaverbindingen tot en met 24 uur daarna.

Referenties

  1. Amgen Europe BV, SmPC Blincyto (EU/1/15/1047/001) 26-02-2019
  2. ZorgInstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 02 mei 2019
  3. Informatorium Medicamentorum, (Interacties, verminderde nierfunctie), Geraadpleegd 02 mei 2019
  4. Amgen Inc, USA ProductInformation Blincyto (Reference ID: 4421248) Revised: 4/2019

Wijzigingen

  • 02 mei 2019 12:09: NIeuw toegevoegd op basis van de SmPC