Gelekoortsvaccin

Stofnaam
Gelekoortsvaccin
Merknaam
Stamaril
ATC code
J07BL01
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

On-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Actieve immunisatie gele koorts:
> 9 maanden: 1000 IE SC tenminste 10 dagen voor vertrek naar endemisch gebied. Revaccinatie na 10 jaar.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Poeder voor inj.vlst. 1000 E + 0.5 ml oplosm.

Eigenschappen

Toediening leidt tot ontstaan van neutraliserende antilichamen tegen het gelekoortsvirus. Bescherming ontwikkelt zich na circa 10 dagen; deze houdt ten minste 10 jaar aan.

Kinetische gegevens

Er is hier op dit moment nog geen informatie over beschikbaar.

Doseringen

Indicatie: Immunisatie tegen gele koorts
  • Subcutaan
    • 6 maanden tot 9 maanden
      [1]
        • Kinderen van 6 tot 9 maanden mogen enkel onder speciale omstandigheden (bv. tijdens grote uitbraken) worden gevaccineerd en op basis van het geldende officie?le advies.
        • Kinderen vanaf 6 maanden met een HIV positieve moeder mogen worden gevaccineerd wanneer vaststaat dat het kind niet met HIV besmet is. Kinderen die HIV besmet zijn mogen gevaccineerd worden na overleg met HIV behandelaren en/of infectiologen.
    • ≥ 9 maanden
      [1]
      • 1.000 IE/dosis √©√©nmalig
      • Toedienen tenminste 10 dagen vóór het betreden van een endemisch gebied:

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.

VIRALE VACCINS

ENCEPHALITISVACCINS
J07BA02

Tekenencefalitis vaccin

FSME-Immun, FSME-Immun junior
J07BA01
HEPATITISVACCINS

Hepatitis A vaccin

Havrix Junior, Havrix, Vaqta, Avaxim
J07BC02

Hepatitis B vaccin

Engerix B Junior; HBVaxPro
J07BC01
INFLUENZAVACCINS

Influenzavaccin

Influvac, Vaxigrip
J07BB02
PAPILLOMAVIRUSVACCINS
J07BM02
VARICELLAZOSTERVACCINS

Varicella vaccin

Provarivax
J07BK01
MAZELENVACCINS
J07BD52
ROTAVIRUSDIARREEVACCINS
J07BH01

Bijwerkingen bij volwassenen

Zeer vaak (> 10%): lokale reacties (incl. roodheid, zwelling, bloeding, induratie, pijn), hoofdpijn.

Vaak (1-10%): misselijkheid, braken, diarree. Myalgie. Koorts, asthenie.

Soms (0,1-1%): buikpijn, artralgie.

Verder zijn gemeld: huiduitslag, urticaria. Lymfadenopathie. Anafylaxie, angio-oedeem. Convulsies, Guillain-Barré-syndroom en focale neurologische stoornis. Neurotropische ziekte na gelekoortsvaccinatie (‘yellow fever vaccine associated neurotropic disease’: YEL-AND), treedt op binnen 1 maand na vaccinatie met hoge koorts, hoofdpijn, verwardheid, slaperigheid, encefalitis, encefalopathie en meningitis; soms fataal, meer kans bij erfelijke of verworven immunodeficiëntie of bij een leeftijd ≥ 60 jaar. Viscerotropische ziekte na gelekoortsvaccinatie (‘yellow fever vaccine associated viscerotropic disease’: YEL-AVD), treedt op binnen 10 dagen na vaccinatie met koorts, vermoeidheid, spierpijn, hoofdpijn, hypotensie, metabole acidose, spiercellyse, levercellyse, lymfocytopenie, trombocytopenie, nierfalen en ademhalingsstilstand; bij 60% fataal, meer kans bij anamnese van thymusaandoeningen of een leeftijd ≥ 60 jaar.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij kinderen

Kinderen jonger dan zes maanden.

Contraindicaties bij volwassenen

Overgevoeligheid voor kippeneiwit. Symptomatische HIV-infectie. Asymptomatische HIV-infectie, indien deze gepaard gaat met een verzwakte immuunfunctie. Functiestoornis van de thymus. Andere vormen van immunosuppressie, hetzij erfelijk, idiopathisch of als gevolg van systemische steroïden, radiotherapie of cytotoxica. Actieve infectieziekte.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

Kinderen ≥ 6 maanden van een HIV-besmette moeder mogen worden gevaccineerd als bevestigd is dat ze niet besmet zijn. Indien het kind HIV positief is, een team van kinderartsen consulteren.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Bij gelijktijdig en tijdelijk gebruik van immunosuppressiva de vaccinatie uitstellen tot de immuunfunctie is hersteld. Bijvoorbeeld na het stopzetten van een behandeling met systemische corticosteroïden met een duur ≥ 14 dagen, de vaccinatie één maand uitstellen. Bij een asymptomatische HIV-infectie de risico's afwegen tegen het voordeel van vaccinatie, omdat de vaccinatie zowel gevaarlijk als ondoeltreffend kan zijn.

Interacties

Interacties vaccins algemeen:

Gelijktijdig geven van vaccins

  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met andere dode vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • parenteraal toegediende levende vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met oraal toegediende levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • twee parenteraal toegediende levende vaccins worden bij voorkeur met een interval van ten minste 4 weken toegediend. Reden hiervoor is het induceren van de productie van interferonen gedurende 1-2 weken door het ene vaccin, die kunnen interfereren met de immuunrespons op het andere vaccin. Indien dit niet mogelijk is, kunnen ze ook tegelijkertijd worden toegediend.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten

Deze kunnen specifieke antistoffen bevatten tegen het virus in het toegediende levende virusvaccin, waardoor de immuunrespons kan worden verzwakt. Het levende virusvaccin dient ten minste 14 dagen voor (bij varicellavaccin wordt aangegeven 1 maand) of ten minste 6 weken na (bij voorkeur 3 maanden, bij varicellavaccin wordt aangegeven 5 maanden) toediening van immunoglobulinen, bloed of bloedproducten te worden gegeven.

Van zostervaccin is niet bekend of het een interactie geeft met bloedproducten; er hoeft geen interval te worden aangehouden.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten van Nederlandse donoren bevatten geen antistoffen tegen het gelekoortsvirus; deze mogen gelijktijdig worden gegeven met het gelekoortsvaccin.

Relevant:

Levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde DMARD's, veel oncolytica (inclusief een aantal tyrosinekinaseremmers en monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking, zie aldaar)) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectieziekte veroorzaken. Deze combinaties moeten worden vermeden. Combinatie met corticosteroïden is in het algemeen gecontraïndiceerd zolang het corticosteroïd immunosuppressie veroorzaakt, met name bij systemisch gebruik langer dan 2 weken, echter niet bij suppletie en niet bij lokale toepassing (behalve bij grote oppervlakken onder occlusie).

Tijdens het gebruik van monoklonale antilichamen die immunomodulerend werken (zie aldaar) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken, en kan vaccinatie sowieso niet of minder effectief zijn gezien het ontbreken van een adequate immuunrespons. De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde DMARD's, veel oncolytica (inclusief een aantal tyrosinekinaseremmers en monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking, zie aldaar)) kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan. Griepvaccinatie wordt sowieso aanbevolen bij personen met verminderde weerstand tegen infecties (bijvoorbeeld door immunosuppressieve medicatie of chemotherapie).

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met lokaal toegediend pimecrolimus of tacrolimus.

Referenties

  1. Sanofi Pasteur MSD, SmPC Stamaril (RVG17615) 04-12-2015, www.geneesmiddeleninformatiebank.nl
  2. Informatorium Medicamentorum, (Interacties, nierfunctiestoornissen), Geraadpleegd 29 juni 2017
  3. ZorgInstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, bijwerkingen, contra-indicaties, waarschuwingen en voorzorgen), Geraadpleegd 19 apr 2016

Wijzigingen

  • 19 april 2016 10:44: NIEUW TOEGEVOEGD