Ravulizumab

Stofnaam
Ravulizumab
Merknaam
Ultomiris
ATC code
L04AJ02
Doseringen
Nierfunctiestoornissen

Produkten, hulpstoffen, toediening en tekorten
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen

Interacties
Eigenschappen (PD/PK)

Registratiestatus
Middelen uit dezelfde ATC groep
Referenties
Versiebeheer

Eigenschappen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Ravulizumab is een monoklonaal IgG2/4K-antilichaam dat specifiek bindt aan complementeiwit C5, waardoor het de splitsing van dit eiwit tot C5a (het pro-inflammatoire anafylatoxine) en C5b (de initiërende subeenheid van het terminale complementcomplex [C5b-9]) remt en de vorming van C5b-9 voorkomt. Ravulizumab beschermt de vroege componenten van de complementactivatie die essentieel zijn voor opsonisatie van micro-organismen en voor de klaring van immuuncomplexen. Het remt bij PNH de intravasculaire hemolyse en bij aHUS de complement gemedieerde trombotische microangiopathie die via het terminale complement worden gemedieerd.

Farmacokinetiek bij kinderen

  PNH aHUS
Vd steady state - gemiddeld (SD) 5,30 (0,9) l 5,22 (1,85) l
T½ gemiddeld (SD) 49,6 (9,1) dagen 51,8 (16,2) dagen
Cl gemiddeld (SD) 0,08 (0,022) l/dag 0,08 (0,04) l/dag

Label dosisadvies Kinderformularium

> 10 kg: On-label

Toon SmPC tekst Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Paroxismale nachtelijke hemoglobinurie (PNH), atypisch hemolytisch-uremisch syndroom (aHUS):
≥ 10 kg - 20 kg: IV oplaaddosis 600 mg; na 2 weken 1e onderhoudsdosis van 600 mg en daarna om de 4 weken
≥ 20 kg - 30 kg: IV oplaaddosis 900 mg; na 2 weken 1e onderhoudsdosis van 2100 mg en daarna om de 8 weken
≥ 30 kg - 40 kg: IV oplaaddosis 1200 mg; na 2 weken 1e onderhoudsdosis van 2700  mg en daarna om de 8 weken
≥40 kg - 60 kg: oplaaddosis  2400 mg; na 2 weken 1e onderhoudsdosis van 3000 mg en daarna om de 8 weken
≥60 kg - 100 kg: oplaaddosis  2700 mg; na 2 weken 1e onderhoudsdosis van 3300 mg en daarna om de 8 weken

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Conc v opl v inf: 100 mg/ml

Overige info toediening/beschikbaarheid

Informatie over geneesmiddeltekorten

Doseringen

Atypisch hemolytisch-uremisch syndroom (aHUS); paroxismale nachtelijke hemoglobinurie (PNH)
  • Intraveneus
    • 10 tot 20 kg
      [1]
      • Startdosering: 600 mg/dosis, éénmalig.
      • Onderhoudsdosering: 2 weken na startdosering: 600 mg/dosis 1 x per 4 weken.
    • 20 tot 30 kg
      [1]
      • Startdosering: 900 mg/dosis, éénmalig.
      • Onderhoudsdosering: 2 weken na startdosering: 2.100 mg/dosis 1 x per 8 weken.
    • 30 tot 40 kg
      [1]
      • Startdosering: 1.200 mg/dosis, éénmalig.
      • Onderhoudsdosering: 2 weken na startdosering: 2.700 mg/dosis 1 x per 8 weken.
    • 40 tot 60 kg
      [1]
      • Startdosering: 2.400 mg/dosis, éénmalig.
      • Onderhoudsdosering: 2 weken na startdosering: 3.000 mg/dosis 1 x per 8 weken.
    • 60 tot 100 kg
      [1]
      • Startdosering: 2.700 mg/dosis, éénmalig.
      • Onderhoudsdosering: 2 weken na startdosering: 3.300 mg/dosis 1 x per 8 weken.

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.

GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.

Bijwerkingen bij kinderen

Het bijwerkingenprofiel bij kinderen is vergelijkbaar met dat bij volwassenen. 

De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen zijn buikpijn, nasopharyngitis en pyrexie. 

Bijwerkingen algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Zeer vaak (> 10%): bovensteluchtweginfectie, nasofaryngitis. Hoofdpijn. Diarree, misselijkheid. Koorts, vermoeidheid.

Vaak (1-10%): duizeligheid. Buikpijn, braken, dyspepsie. Uitslag, jeuk. Artralgie, rugpijn, myalgie, spierspasmen. Influenza-achtige ziekte, asthenie. Infusie-gerelateerde reactie.

Soms (0,1-1%): meningokokkeninfectie/-sepsis. Koude rillingen. Anafylactische reactie, overgevoeligheid.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contra-indicatie algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

  • een aanhoudende Neisseria meningitidis-infectie op het moment dat de behandeling wordt ingezet.
  • geen vaccinatie tegen Neisseria meningitidis bij inzet behandeling, tenzij profylactische behandeling met geschikte antibiotica tot 2 weken na vaccinatie.

Waarschuwingen en voorzorgen algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Ernstige meningokokkeninfectie: ravulizumab verhoogt de gevoeligheid van de patiënt voor meningokokkeninfectie/-sepsis (Neisseria meningitidis). (Re)vaccineer alle patiënten tegen meningokokkeninfecties ten minste twee weken vóór start van de behandeling om het risico op infectie te verkleinen, tenzij het risico van uitstel van behandeling hoger is dan het risico van het ontwikkelen van een meningokokkeninfectie. Bij start van de behandeling binnen 2 weken na vaccinatie, patiënt tot 2 weken na de vaccinatie behandelen met geschikte profylactische antibiotica. Vaccinatie verkleint de kans op meningokokkeninfecties, maar sluit het risico niet geheel uit; gevallen van ernstige meningokokkeninfectie/-sepsis zijn gemeld, ook fatale gevallen bij behandeling met andere remmers van het terminale complement. Controleer alle patiënten op vroege tekenen van meningokokkeninfectie en -sepsis. Instrueer patiënt om bij tekenen en symptomen onmiddellijke medische hulp in te roepen.

Immunisatie: voorafgaand aan behandeling vaccinaties toedienen conform de huidige vaccinatierichtlijnen. Controleer op ziektesymptomen na aanbevolen vaccinatie; vaccinatie kan complement activeren en daardoor versterkte tekenen en symptomen geven van de onderliggende ziekte. Patiënten jonger dan 18 jaar vaccineren tegen Haemophilus influenzae en pneumokokkeninfecties.

Voorzichtig zijn bij een actieve systemische infectie. Ravulizumab blokkeert de activering van het terminale complement-systeem; vatbaarheid voor infecties veroorzaakt door Neisseria-soorten en kapseldragende bacteriën kan verhoogd zijn. Ernstige infecties met Neisseria-soorten (anders dan Neisseria meningitidis), waaronder gedissemineerde gonokokkeninfecties, zijn gemeld. Informeer patiënten over potentieel ernstige infecties en de bijhorende tekenen en symptomen. Adviseer patiënten over preventie van gonorroe.

Toediening van ravulizumab kan leiden tot infusiereacties; meestal lichte reacties en van voorbijgaande aard. Onderbreek infusie bij een infusiereactie en neem geschikte ondersteunende maatregelen indien er tekenen van cardiovasculaire instabiliteit of ademhalingsproblemen optreden.

Bij staken van behandeling voor PNH: patiënt nauwlettend volgen, ten minste gedurende 16 weken op tekenen en symptomen van ernstige intravasculaire hemolyse, te herkennen aan een verhoogde lactaatdehydrogenase (LDH)-spiegel in combinatie met een plotselinge afname van de grootte van de PNH-kloon of een daling van het hemoglobinegehalte. Let hierbij ook op terugkeer van symptomen zoals vermoeidheid, hemoglobinurie, buikpijn, kortademigheid (dyspneu), ernstige vasculaire voorvallen (waaronder trombose), dysfagie, of erectiestoornis. Indien er na staking van de behandeling tekenen en symptomen van hemolyse optreden, waaronder een verhoogd LDH-gehalte, overweeg dan de behandeling te hervatten.

Bij staken van behandeling voor aHUS: controleer voortdurend nauwlettend op tekenen en symptomen van trombotische micro-angiopathie (TMA). Monitoring is mogelijk echter niet voldoende om ernstige complicaties als gevolg van TMA te voorspellen of te voorkomen. Indien er na staking van de behandeling met ravulizumab complicaties als gevolg van TMA optreden, dient een hervatting van de behandeling met ravulizumab te worden overwogen, te beginnen met de oplaaddosis en de onderhoudsdosis. TMA-complicaties na het staken van de behandeling vaststellen bij constatering van één van de volgende bevindingen:

Waarneming van gelijktijdig optreden van ten minste twee van de volgende laboratoriumresultaten:een afname van het trombocytenaantal van 25% of meer ten opzichte van baseline of ten opzichte van de piekwaarde voor het trombocytenaantal tijdens de behandeling met ravulizumab;
een toename van het serumcreatinine van 25% of meer ten opzichte van baseline of ten opzichte van de laagst gemeten waarde tijdens de behandeling met ravulizumab;
een toename van de LDH-serumspiegel van 25% of meer ten opzichte van baseline of ten opzichte van de laagst gemeten waarde tijdens de behandeling met ravulizumab (de resultaten dienen te worden bevestigd door een tweede meting)
Eén van de volgende symptomen van TMA: een verandering in de mentale status of insulten of andere extrarenale manifestaties van TMA waaronder cardiovasculaire afwijkingen, pericarditis, gastro-intestinale symptomen/diarree; of trombose.
Onderzoeksgegevens: Er zijn weinig gegevens over de veiligheid en werkzaamheid bij kinderen met een lichaamsgewicht < 10 kg bij PNS en aHUS; er kan geen doseringsadvies worden gegeven. Er zijn geen gegevens bij kinderen met PNH met lichaamsgewicht < 30 kg. Er is geen ervaring met gelijktijdig gebruik van PE/PI (plasmaferese of plasmawisseling, of infusie van vers ingevroren plasma) met ravulizumab. Behandeling met PE/PI kan de serumconcentratie van ravulizumab verlagen. De veiligheid en werkzaamheid zijn niet onderzocht bij patiënten met een leverfunctiestoornis

Interacties Bron: KNMP Kennisbank

Immunomodulantia algemeen:

Relevant:
Levende vaccins: vaccinatie met levende micro-organismen tijdens immunosuppressieve therapie (behalve cutaan toegediend pimecrolimus of tacrolimus) kan een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens gebruik van immunosuppressiva kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan. 

De werking van immunocyanine kan worden verminderd.

Geen interactie:
In de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen.

Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.

Referentie

  1. Alexion Europe SAS, SmPC Ultomiris (EU 1/19/137/001) Rev.13, 26-09-2023, www.emea.europa.eu

Wijzigingen

  • 28 april 2022 19:50: Nieuw toegevoegd
  • 25 maart 2022 14:45: new monograph

Therapeutic Drug Monitoring


Overdosering