Rifampicine

Stofnaam
Rifampicine
Merknaam
Rifadin
ATC code
J04AB02
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

Tuberculose: on-label
Niet tuberculose:
Lepromateuze lepra: On-label,
Overige infecties: Off-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Tuberculose:
<1jaar: 10 mg/kg/dag PO/IV
>1 jaar: 10-20 mg/kg/dag PO/IV (max 600 mg/dag).
Lepromateuze lepra:
<1 jaar: 10 mg/kg/dag PO/IV
>1 jaar: 10-20 mg/kg/dag PO/IV (max 600 mg/dag).

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Capsule 150 mg, 300 mg
Poeder voor infusieopl. 600 mg + 10 ml oplosm.
Susp. oraal 20 mg/ml
Tablet omhuld 600 mg

Eigenschappen

Bactericide werking door blokkeren van het DNA-afhankelijke RNA-polymerase bij de bacterie. Het spectrum omvat de meeste grampositieve micro-organismen, Mycobacteriaceae (incl. M. tuberculosis en M. leprae) en sommige gramnegatieve micro-organismen (o.a. Neisseria en Haemophilus influenzae). Rifampicine is bij M. tuberculosis zowel intra- als extracellulair werkzaam.

Kinetische gegevens

Geen informatie

Doseringen

Ga snel naar:

Indicatie: Tuberculose
  • Oraal
    • 0 jaar tot 1 jaar
      [4]
      • 10 mg/kg/dag in 1 dosis
    • 1 jaar tot 18 jaar
      [4]
      • 10 - 20 mg/kg/dag in 1 dosis , max: 600mg/dag
  • Intraveneus
    • 0 jaar tot 1 jaar
      [4]
      • 10 mg/kg/dag in 1 dosis
    • 1 jaar tot 18 jaar
      [4]
      • 10 - 20 mg/kg/dag in 1 dosis , max: 600mg/dag
Indicatie: Infecties bij cystische fibrose
  • Oraal
    • 1 maand tot 18 jaar
      [1]
      • 20 mg/kg/dag in 2 doses , max: 1,2g/dag
Indicatie: Niet-tuberculose
  • Oraal
    • 1 maand tot 18 jaar
      [1]
      • 20 mg/kg/dag in 2 doses , max: 1,2g/dag
  • Intraveneus
    • < 1 week
      [1]
      • 10 mg/kg/dag in 1 dosis
    • 1 week tot 1 maand
      [1]
      • indien er geen sprake is van hyperbilirubinemie: 20 mg/kg/dag in 2 doses , max: 1,2g/dag
      • Bij hyperbilirubinemie: 10 mg/kg/dag

    • 1 maand tot 18 jaar
      [1]
      • 20 mg/kg/dag in 2 doses , max: 1,2g/dag
Indicatie: Profylaxe van meningokokkose
  • Oraal
    • 0 maanden tot 3 maanden
      [6]
      • 10 mg/kg/dag in 2 doses
      • Behandelduur:

        2 dagen

    • 3 maanden tot 12 jaar
      [6]
      • 20 mg/kg/dag in 2 doses , max: 1,2g/dag
      • Behandelduur:

        2 dagen

    • 12 jaar tot 18 jaar
      • 1.200 mg/dag in 2 doses
      • Behandelduur:

        2 dagen

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Aanpassingen als volgt:

GFR 50-80 ml/min/1.73 m2
100 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 24 uur
GFR 30-50 ml/min/1.73 m2
100 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 24 uur
GFR 10-30 ml/min/1.73 m2
100 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 24 uur
GFR < 10 ml/min/1.73 m2
100 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 24 uur

TUBERCULOSEMIDDELEN

ANTIBIOTICA

Rifabutine

Mycobutin
J04AB04
HYDRAZIDEN
J04AC01
OVERIGE TUBERCULOSEMIDDELEN

Ethambutol

Myambutol
J04AK02
J04AK01
ANTIBIOTICA

Rifabutine

Mycobutin
J04AB04
HYDRAZIDEN
J04AC01
OVERIGE TUBERCULOSEMIDDELEN

Ethambutol

Myambutol
J04AK02
J04AK01

Bijwerkingen bij volwassenen

Zeer vaak (> 10%): koorts, rillingen.

Vaak (1-10%): misselijkheid, braken, buikpijn, opgeblazen gevoel, anorexie. Vermoeidheid, slaperigheid, duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, hoofdpijn. Jeuk (met of zonder huiduitslag), urticaria. Opvliegers. Reversibele trombocytopenie en trombocytopenische purpura (voornamelijk bij intermitterende therapie). Asymptomatische stijging van bilirubine en leverenzymwaarden (ASAT, ALAT). Roodverkleuring van tanden en lichaamsvloeistoffen en afscheidingen zoals urine, feces, speeksel, sputum, tranen en zweet, roodheid van de ogen.

Soms: (0,1-1%): diarree. Voorbijgaande leukopenie.

Zelden (0,01-0,1%): circulatoir collaps, shock, oedeem. Icterus, hepatitis, hepatorenaal syndroom. Inductie of verergering porfyrie. Spierzwakte, ataxie. Verwardheid. Visuele stoornis, exsudatieve conjunctivitis. Ernstige huidreacties zoals Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), exfoliatieve dermatitis, toxische epidermale necrolyse (TEN), pemfigoïde reacties en het DRESS-syndroom (geneesmiddelreactie met eosinofilie en systemische symptomen). Vasculitis. Hemolyse, hemolytische anemie, agranulocytose en eosinofilie. Acuut nierfalen ten gevolge van hemoglobinurie, hematurie, acute interstitiële nefritis, glomerulonefritis en acute tubulaire necrose. Menstruatiestoornissen waaronder amenorroe, inductie van een Addison-crisis (bij patiënten met deze ziekte).

Zeer zelden (< 0,01%): erosieve gastritis, pseudomembraneuze colitis.

Verder zijn gemeld: bloeddrukdaling, diffuse intravasale stolling. Anafylaxie. Pancreatitis. Hersenbloedingen, al dan niet fataal, na continuering of hervatting van de therapie na het optreden van purpura. Postpartumbloeding, foetale-maternale bloeding. Dyspneu, piepende ademhaling. Myopathie, botpijn. Psychotische stoornis. Bijnierinsufficiëntie bij een pre-existente aangetaste bijnierfunctie. Hypothyreoïdie (door toegenomen klaring van thyroxine door de lever en excretie van mono-joodthyronine). Hyperbilirubinemie. Toegenomen waarde alkalische fosfatase (vooral bij kinderen en meer uitgesproken bij combinatie met isoniazide). Overmatig blozen. Allergische dermatitis, acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP). Bij gebruik van de suspensie ook: astmatische episoden en anafylactische symptomen bij patiënten gevoelig voor metabisulfiet. Bij gebruik van de infusievloeistof ook: flebitis en pijn op de infusieplaats.

Bij intermitterende therapie of bij hervatting van de therapie na een tijdelijke onderbreking kan een influenza-achtig syndroom ('griep-syndroom') ontstaan met koorts, koude rillingen, soms hoofdpijn, duizeligheid en pijn in het bewegingsapparaat, in zeldzame gevallen gevolgd door trombocytopenie, purpura, dyspneu, astma-achtige aanvallen, hemolytische anemie, shock en acuut nierfalen. Deze complicaties kunnen echter ook onafhankelijk van het griep-syndroom optreden (zie ook de rubriek Waarschuwingen en voorzorgen).

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij volwassenen

  • een door geneesmiddelen geïnduceerde acute leverziekte (bv. hepatitis) in de voorgeschiedenis;
    icterus;
  • overgevoeligheid voor andere rifamycinen.
  • door eerder gebruik van rifampicine ontstane:
    • acute nierinsufficiëntie;
    • overgevoeligheid;
    • trombocytopenie of hemolytische anemie.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

In verband met resistentie ontwikkeling geen monotherapie.
Leverfunctie controleren bij langdurig gebruik. Dosis aanpassen bij kinderen met een verminderde leverfunctie.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Controles: vóór aanvang van de behandeling leverenzymwaarden, bilirubine, serumcreatinine, volledige bloedwaarden en het aantal bloedplaatjes bepalen. Bij langdurig gebruik en bij leverfunctiestoornissen ook het bloedbeeld volgen.

Leverfunctie: wees voorzichtig bij verminderde leverfunctie; bij deze patiënten tijdens de therapie wekelijks, of iedere 2 weken, ALAT en ASAT controleren en eventueel de rifampicinespiegel bepalen voor optimalisering van de dosis. Bij een normale leverfunctie stijgen de transaminasespiegels vaak gedurende de eerste weken van de behandeling tot boven de ULN; deze dalen meestal vanzelf gedurende de derde behandelmaand, zonder de behandeling te onderbreken. Voer ook leverfunctietesten uit als koorts, braken, geelzucht of andere verslechtering van de conditie van de patiënt daarna optreedt. Ook hyperbilirubinemie kan ontstaan, op cellulair niveau van de uitscheidingswegen van de lever, door competitie van rifampicine en bilirubine. Een matige toename van bilirubine en/of transaminasewaarden is op zichzelf geen indicatie om de behandeling te onderbreken; herhaal de leverfunctietesten en volg de trends van de waarden in relatie tot de klinische conditie van de patiënt. Het wordt aanbevolen de behandeling met rifampicine te staken als de leverfunctie niet naar de normale waarden terugkeert of als de transaminasen 5× de ULN overstijgen. Indien de leverfunctie tot normaalwaarden is teruggekeerd, de leverfunctie dagelijks volgen totdat de onderhoudsbehandeling is bereikt; hierna gedurende twee weken wekelijks testen en daarna gedurende zes weken iedere twee weken. Hierna de leverfunctie periodiek volgen. Bij signalen van leverbeschadiging de behandeling met rifampicine stoppen. Bij patiënten met chronische leverziekten, bij alcoholici en bij ondervoede patiënten het therapeutisch nut van de behandeling afwegen tegen de risico's van verdere leverbeschadiging. Wees zeer voorzichtig bij prematuren en neonaten omdat hun leverenzymsysteem nog niet volledig ontwikkeld is. De combinatie van rifampicine met isoniazide en/of pyrazinamide vermeerdert de kans op bijwerkingen op de lever.

Ernstige acute overgevoeligheidsreacties: de behandeling onmiddellijk stoppen en nooit meer hervatten als (de eerste tekenen van) ernstige acute overgevoeligheidsreacties optreden zoals dyspneu en astma-achtige aanvallen, koorts, lymfadenopathie, purpura, nierfalen, shock, en afwijkingen van de lever of van de bloedcellijnen (hemolytische anemie, eosinofilie of trombocytopenie). Bij symptomen van AGEP, SJS of TEN de behandeling ook onmiddellijk staken. Fatale gevallen van DRESS-syndroom (geneesmiddelexantheem met eosinofilie en systemische symptomen) zijn gemeld; vroege uitingen hiervan als koorts, lymfadenopathie, eosinofilie en leverafwijkingen kunnen aanwezig zijn zonder dat er huiduitslag is.

Influenza-achtige symptomen: Bij intermitterende therapie of bij hervatting van de therapie na een onderbreking kunnen influenza-achtige symptomen voorkomen, die een voorbode kunnen zijn van ernstige complicaties (zie rubriek Bijwerkingen). De frequentie varieert en kan oplopen tot 50% van de patiënten die wekelijks ≥ 25 mg/kg rifampicine krijgen. Overweeg bij optreden van influenza-achtige verschijnselen bij intermitterende therapie over te schakelen naar dagelijkse medicatie, hierbij insluipend doseren (zie rubriek Dosering).

Verkleuring: urine, zweet, speeksel, traanvocht en feces kunnen oranje/rood verkleuren. Zachte contactlenzen kunnen blijvend rood kleuren.

Microbiologische methoden voor de bepaling van de plasmaconcentraties van foliumzuur en cyanocobalamine (vitamine B12) kunnen niet gebruikt worden tijdens de behandeling met rifampicine, omdat rifampicine in competitie is met bilirubine en broomsulfaleïne. Om fout-positieve reacties te voorkomen de broomsulfaleïne test uitvoeren de ochtend vóór toediening van rifampicine.

Interacties

Rifampicine induceert vrijwel alle CYP-enzymen (CYP3A4 het sterkst en CYP2D6 het zwakst); het induceert ook P-gp, OCT en UGT.

Rifampicine remt de transporters OATP1B1 en OATP1B3.

Relevant:

Rifampicine verlaagt de concentratie van: zie bij Interactielijsten, CYP3A4-inductoren, en van abirateron, amiodaron, amitriptyline, apremilast, (fos)aprepitant, ataluren, atovaquon, bosentan, brivaracetam, buspiron, carbamazepine, caspofungine, celiprolol, corticosteroïden, VKA's, dabigatran, dapson, deferasirox, digoxine, ebastine, edoxaban, fenytoïne, fesoterodine, fluconazol, fluvastatine, HCV-middelen, HIV-middelen, itraconazol, ixazomib, ketoconazol, lamotrigine, leflunomide, letermovir, lurasidon, mefloquine, nortriptyline, olanzapine, pitolisant, posaconazol, (es)omeprazol, regorafenib, rolapitant, selexipag, sonidegib, teriflunomide, theofylline, tivozanib, tizanidine, tofacitinib, tolvaptan, trabectedine, valproïnezuur, vandetanib, vemurafenib, verapamil, voriconazol, vortioxetine en zopiclon.

Rifampicine verlaagt de AUC van regorafenib en vandetanib, en verhoogt de AUC van de actieve metabolieten.

Niet relevant:
Rifampicine verlaagt de concentratie van: zie bij Interactielijsten, CYP3A4-inductoren, en van alectinib, canagliflozine, clindamycine, dapagliflozine, diltiazem, enzalutamide, exemestaan, ifosfamide, linagliptine, mirabegron, mycofenolzuur, naloxegol, oxcarbazepine, repaglinide, roflumilast, saxagliptine, terbinafine en tramadol.

Rifampicine verlaagt de blootstelling aan monomethylauristatine E (MMAE), een component van brentuximab vedotine.

Overig effect: rifampicine verhoogt de AUC en Cmax van empagliflozine.

Het trombocytenaggregatieremmende effect van clopidogrel kan toenemen.

Niet beoordeeld: kan de werking verminderen van diazepam, nitrazepam, β-blokkers, sulfonylureumderivaten en thyreomimetica.

Isoniazide verhoogt het risico op hepatotoxische reacties.

Referenties

  1. Hartwig NC, et al, Vademecum pediatrische antimicrobiële therapie, 2005
  2. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 04-11-2019
  3. ZorgInstituut Nederand, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 11 juli 2019
  4. Sanofi-Aventis Netherlands BV, SPC Rifadin (RVG 05766, 08755), www.cbg-meb.nl, Geraadpleegd 07 juli 2010, http://db.cbg-meb.nl/IB-teksten/h08755.pdf
  5. Furth van AM et al, Werkboek Infectieziekten bij Kinderen, VU Uitgeverij, 1999
  6. LCI, Richtlijn Meningokokkose - meningokokkenziekte, www.rivm.nl, 02-04-2013, http://www.rivm.nl/dsresource?objectid=rivmp:9288&type=org&disposition=inline

Wijzigingen

  • 04 november 2019 09:00: update ref