Oraal bloedglucoseverlagend middel. Remt selectief de natrium/glucose-cotransporter 2 (SGLT2) in de nier. Remt zwak SGLT1 in de darm.
Canagliflozine vermindert de renale glucosereabsorptie, zodat glucose wordt uitgescheiden met de urine en de glucoseplasmaspiegel afneemt. Verhoogde glucose-excretie via de urine leidt tot osmotische diurese, met een daling van de systolische bloeddruk, en tot gewichtsafname door verlies van calorieën. Werkt onafhankelijk van insuline.
Verder verhoogt canagliflozine (door remming van SGLT2) de afgifte van natrium aan de distale tubulus, zodat de tubuloglomerulaire terugkoppeling toeneemt. Dit gaat gepaard met een afname van de intraglomerulaire druk en een verminderde hyperfiltratie.
Farmacometrische modellen suggereren dat de blootstelling bij kinderen met een laag lichaamsgewicht (gewicht < 50 kg) na toediening van 300 mg eenmaal daags hoger kan zijn dan de blootstelling bij volwassenen bij dezelfde dosis.
Tablet 100 mg, 300 mg
| Diabetes mellitus type II |
|---|
|
Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.
De frequentie, het type en de ernst van de bijwerkingen bij kinderen van 10 jaar en ouder zijn in het algemeen vergelijkbaar met die in de volwassen populatie.
De volgende bijwerkingen kwamen bij kinderen vaker voor bij canagliflozine vergeleken met placebo: hoofdpijn, nasofaryngitis, infectie van de urinewegen en braken. Genitale mycotische of bacteriële infecties werden in kleine aantallen gemeld bij degenen die canagliflozine kregen en geen bij placebo.
Zeer vaak (> 10%): vulvovaginale candidiasis. Hypoglykemie bij combinatie met sulfonylureumderivaat of insuline.
Vaak (1-10%): balanitis of balanopostitis, urineweginfectie. Dorst, droge mond, polydipsie, misselijkheid, obstipatie. Polyurie, pollakisurie, dringende urinelozing, nachtelijke mictie. Dyslipidemie, stijging hematocriet.
Soms (0,1-1%): dehydratie. Houdingsafhankelijke duizeligheid, syncope. (Orthostatische) hypotensie. Fotosensibilisatie, huiduitslag, urticaria. Botbreuk. Nierfalen (voornamelijk in de context van volumedepletie). Stijging bloedwaarden van creatinine, ureum, kalium en fosfaat. Amputatie van onderste ledemaat, met name van de teen en middenvoet, vooral bij volwassenen met (meer kans op) cardiovasculaire ziekte.
Zelden (0,01-0,1%): anafylactische reactie. (Euglykemische) diabetische ketoacidose, incl. levensbedreigende en fatale gevallen. Angio-oedeem.
Verder zijn gemeld: Fournier-gangreen (necrotiserende fasciitis van het perineum). Pyelonefritis, urosepsis, schimmelinfecties in de urinewegen (meestal ernstig, waarbij ziekenhuisopname nodig was).
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Bij een verminderde nierfunctie neemt de glucoseverlagende werkzaamheid af. Ongeacht de creatinineklaring vóór de behandeling, treedt binnen de eerste 6 weken van de behandeling een (doorgaans geringe) daling van de creatinineklaring op, die daarna weer verbetert. Controleer de nierfunctie voorafgaand aan de behandeling en daarna ten minste jaarlijks. Controleer ook vóór start van geneesmiddelen die de nierfunctie kunnen verminderen (zoals antihypertensiva of NSAID's) en regelmatig daarna.
Gebruik wordt niet aanbevolen bij volumedepletie (bv. door gebruik van lisdiuretica of bij acute ziekte), wegens de diuretische werking van canagliflozine. Wees voorzichtig bij patiënten bij wie een bloeddrukdaling riskant kan zijn (bv. bij cardiovasculaire ziekten, hypotensie in de anamnese of bij ouderen). Monitor zorgvuldig de volumestatus en elektrolytenbalans bij omstandigheden die kunnen leiden tot volumedepletie (zoals maag-darmziekte).
Er zijn meldingen van diabetische ketoacidose (DKA) bij behandeling met SGLT2-remmers, soms bij alleen matig verhoogde bloedglucosewaarden. Het risico op DKA lijkt groter bij patiënten met een matig tot ernstig verminderde nierfunctie, die insuline nodig hebben. Wees voorzichtig bij risicofactoren, zoals een lage β-celfunctiereserve, aandoeningen die leiden tot beperkte inname van voedsel of ernstige uitdroging, een verhoogde insulinebehoefte als gevolg van acute ziekte, operatie of alcoholmisbruik en verlaging van de insulinedosering. Onderzoek de patiënt direct op ketoacidose bij het optreden van symptomen hiervan, ongeacht de bloedglucosespiegel (o.a. misselijkheid, braken, anorexie, buikpijn, extreme dorst, ademhalingsproblemen, verwardheid, ongewone vermoeidheid en slaperigheid). Bij verdenking op een DKA de behandeling met canagliflozine direct staken, en niet meer herstarten indien geen andere duidelijke oorzaak is gevonden. Bij sommige patiënten kan DKA langer aanhouden na stopzetten van canagliflozine, d.w.z. langer dan verwacht op basis van de plasmahalfwaardetijd. Insulinetekort kan bijdragen tot langdurige DKA en moet worden gecorrigeerd indien waargenomen.
Gebruik niet bij diabetes type 1 vanwege het risico op DKA.
Ziekenhuisopname/operatie: onderbreek de behandeling bij ziekenhuisopname voor ernstige acute ziekte. Staak de behandeling, indien mogelijk, gedurende een gepaste periode (dagen) vóór een grote chirurgische ingreep, zoals een buik- of bariatrische ingreep, of een andere invasieve procedure waarbij de patiënt langdurig moet vasten. Monitor de ketonwaarde (bij voorkeur in bloed). Overweeg alternatieve antihyperglykemische therapie, waaronder insuline. Herstarten van canagliflozine kan als de toestand van de patiënt stabiel is, en de ketonwaarde normaal.
Een toename van het aantal amputaties van de onderste ledematen (met name de teen en middenvoet) is waargenomen bij volwassenen met een hoog risico op hart- en vaatziekte die canagliflozine gebruikten, ten opzichte van placebo (resp. 0,63 vs. 0,34 voorvallen per 100 patiëntjaren). Beoordeel vóór aanvang van de behandeling factoren uit de voorgeschiedenis van de patiënt die het amputatierisico verhogen (zoals perifere vaatziekte, neuropathie). Controleer patiënten met meer kans op amputatie nauwgezet, en geef voorlichting over preventie (routinematige voetzorg, voldoende hydratie). Overweeg de behandeling te staken bij complicaties aan de benen en/of voeten, zoals een huidzweer, infectie, osteomyelitis of gangreen.
Er zijn meldingen van Fournier-gangreen (necrotiserende fasciitis van het perineum) bij gebruik van SGLT2-remmers. Een urogenitale infectie of perineaal abces kan hieraan voorafgaan. Adviseer de patiënt met spoed medische hulp in te roepen bij symptomen als hevige pijn, gevoeligheid, erytheem of zwelling in het genitale of perineale gebied, in combinatie met koorts of malaise. Bij vermoeden van Fournier-gangreen het gebruik van de SGLT2-remmer staken en direct behandeling beginnen (incl. antibiotica en chirurgisch debridement).
Urineweginfecties komen vaak voor bij gebruik van SGLT2-remmers. Overweeg bij een gecompliceerde urineweginfectie de SGLT2-remmer tijdelijk te staken. Er zijn gevallen van schimmelinfecties in de urinewegen gemeld; overweeg daarom ook op schimmels te testen bij een urineweginfectie zonder bacteriële oorzaak.
Niet of beperkt onderzocht
Canagliflozine remt CYP3A4.
Relevant:
Canagliflozine verlaagt de lithiumconcentratie.
Niet relevant:
Afname canagliflozine: de AUC neemt af door rifampicine.
Canagliflozine verhoogt de AUC van: simvastatine, simvastatinezuur en digoxine.
Niet beoordeeld:
Het effect van diuretica kan worden versterkt, wat kan leiden tot een verhoogd risico op dehydratie en hypotensie.
Mogelijk vermindert colestyramine de blootstelling aan canagliflozine.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| BIGUANIDEN | ||
|---|---|---|
| A10BA02 | ||
| SULFONYLUREUMDERIVATEN | ||
|---|---|---|
|
Amglidia
|
A10BB01 | |
| COMBINATIES VAN BLOEDGLUCOSEVERLAGENDE MIDDELEN | ||
|---|---|---|
|
Synjardy
|
A10BD20 | |
| GLUCAGONACHTIG PEPTIDE-1-AGONISTEN (GLP-1-AGONISTEN) | ||
|---|---|---|
|
Trulicity
|
A10BJ05 | |
|
Bydureon
|
A10BJ01 | |
|
Victoza, Saxenda
|
A10BJ02 | |
| NATRIUMGLUCOSE-COTRANSPORTER-2-REMMERS (SGLT-2-REMMERS) | ||
|---|---|---|
|
Forxiga
|
A10BK01 | |
|
Jardiance
|
A10BK03 | |