Bleomycine

Stofnaam
Bleomycine
Merknaam
Bleomedac
ATC code
L01DC01
Eigenschappen - PK data - Registratiestatus
Doseringen

Toedieningsvormen en hulpstoffen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Versiebeheer

Label dosisadvies Kinderformularium

On-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Totdat er meer gegevens beschikbaar zijn, dient de toediening van bleomycine aan kinderen alleen in uitzonderlijke gevallen en in speciale centra te geschieden. De dosering dient op de aanbevolen volwassen dosering gebaseerd te worden en aangepast aan het lichaamsoppervlak en lichaamsgewicht.

Eigenschappen

Oncolytisch antibioticum, geïsoleerd uit Streptomyces verticillus. Bleomycine induceert, door intercalatie in het DNA, enkelstrengs- en dubbelstrengsbreuken van het DNA, waardoor celdeling, groei en DNA-synthese in de tumorcellen worden geremd. Beïnvloedt in mindere mate ook de RNA- en eiwitsynthese. Cellen in de G2– en de M–fase van de celcyclus zijn het meest gevoelig. Verder hebben plaveiselcellen door hun geringe gehalte aan bleomycinehydrolase een hoge gevoeligheid voor bleomycine. Ook reageren hoger gedifferentieerde tumoren meestal beter op bleomycine dan anaplastische tumoren.

Farmacokinetiek

Geen informatie

Doseringen

Oncologische aandoeningen
  • Intraveneus
    • 1 maand tot 18 jaar
      • Dosis en dosisfrequentie van cytostatica zijn afhankelijk van de aandoening en sterk aan nieuwe inzichten onderhevig. Cytostatica worden in de oncologie/hematologie veelal in combinatie gebruikt. Om deze redenen wordt verwezen naar de gedetailleerde behandelprotocollen en is er geen dosisadvies opgenomen.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Poeder voor inj.vlst. (als sulfaat) 15 USP-E = 15.000IU (EP)

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

  • GFR ≥ 30: Aanpassing van de dosis is niet nodig
  • GFR 10-30: 50-75% van normale keerdosis, aanpassen van het doseerinterval is niet nodig.
  • GFR <10: 50% van normale keerdosis, aanpassen van het doseerinterval is niet nodig.
Klinische gevolgen

Bij verminderde nierfunctie neemt de klaring van bleomycine af. Hierdoor is het risico op toxiciteit verhoogd.

Klinische gevolgen:
De belangrijkste bijwerking is interstitiële pneumonie die optreedt bij ongeveer 10% van de patiënten en die kan overgaan in irreversibele longfibrose. Het risico op pulmonale toxiciteit neemt toe met de cumulatieve dosis. De meest voorkomende bijwerkingen zijn (incidentie tot 50%) aantasting van huid en slijmvliezen. Flagellaatpigmentatie met lineaire hyperpigmentatie en jeuk (incidentie 8-38%) is dosisgerelateerd.

CYTOTOXISCHE ANTIBIOTICA EN VERWANTE VERBINDINGEN

ANTHRACYCLINEN EN VERWANTE VERBINDINGEN

Daunorubicine

Cerubidine
L01DB02
L01DB01

Idarubicine

Zavedos
L01DB06

Mitoxantron

Novantrone
L01DB07

Bijwerkingen algemeen

Zeer vaak (> 10%): longtoxiciteit zoals interstitiële pneumonie of longfibrose. Mucosale laesie, slijmvliesontsteking (mucositis, stomatitis), misselijkheid, braken, verlies van eetlust, gewichtsverlies. Hyperpigmentatie, jeuk, hyperkeratose, erytheem, exantheem, striae, blaren, verandering (bv. verkleuring) van de nagels, gevoeligheid en zwelling van de vingertoppen, zwelling van de huid, alopecia.

Vaak (1–10%): overgevoeligheid, waaronder anafylaxie (bij ca. 1%; vnl. bij patiënten met lymfoom), anafylactische reacties, idiosyncratische reacties. Koorts (met name 2–6 uur na de eerste injectie).

Soms (0,1–1%): milde beenmergsuppressie, trombocytopenie (door toegenomen verbruik van trombocyten).

Zelden (0,01–0,1%): falen van de cerebrale circulatie (bv. TIA, CVA), cerebrale arteriitis, myocardinfarct, coronaire hartziekte, hemolytisch–uremisch syndroom. Na intrapleurale toediening: lokale pijn, hypotensie, koorts en geneesmiddelgerelateerd overlijden.

Verder zijn gemeld: na i.v. toediening: hypotensie, lokale tromboflebitis, veneuze occlusie. Na i.v. of intrapleurale toediening: pijn op de injectieplaats, pijn in de omgeving van de tumor. Verder kan voorkomen: fenomeen van Raynaud, gangreen aan de vingertoppen, paresthesie, hyperesthesie, sclerodermie, spierpijn, pijn in de extremiteiten, aneuploïdie van spermatozoa.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contra-indicatie algemeen

  • acute longinfectie;
  • sterk verminderde longfunctie;
  • bestaande longtoxiciteit/verminderde longfunctie door eerder gebruik van bleomycine;
  • ataxia teleangiectasia.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

Extravasatie: koeling met ijscompressen wordt aanbevolen.

Algemeen cytostatica: diverse cytostatica kunnen aanleiding geven tot overgevoeligheidsreacties. Een noodset (bevattende epinefrine, clemastine en hydrocortison) dient aanwezig te zijn in de behandelkamer. Daarnaast zijn specifieke antidota aanwezig in de noodset.

Waarschuwingen en voorzorgen algemeen

Longtoxiciteit: interstitiële pneumonie treedt op bij 10% van de patiënten, waarvan circa 10% overlijdt als gevolg van longfibrose. Interstitiële pneumonie kan ook nog ná de behandeling met bleomycine optreden. Voer regelmatig onderzoek van de thorax (longfunctieonderzoek, thoraxfoto) uit tot ten minste 8 weken na beëindiging van de behandeling. Bij gelijktijdige radiotherapie van de thorax vaker op longtoxiciteit controleren. Bij optreden van onverklaarbaar hoesten, kortademigheid, basale crepitaties of een diffuus reticulair beeld op de thoraxfoto de toediening direct staken en de patiënt met antibiotica en evt. een corticosteroïd behandelen. De kans op longtoxiciteit neemt toe bij een cumulatieve dosering van 400 × 10³ IU, maar ook bij lagere dosering in combinatie met bestaande risicofactoren. Wees daarom (zeer) voorzichtig bij risicofactoren voor longtoxiciteit, zoals een hoge leeftijd, verminderde lever– of nierfunctie, gecompromitteerde longfunctie, longkanker, radiotherapie van de thorax (zowel huidig als in de anamnese) en bij toediening van zuurstof tijdens de behandeling. Longfunctietesten met 100% zuurstof mogen niet worden toegepast, 21% zuurstof wel. Tijdens en na een operatie de FiO2 bij voorkeur op 0,25 handhaven en de vochtvervanging zorgvuldig observeren. Gebruik in ieder geval de laagst mogelijke FiO2 die verenigbaar is met voldoende zuurstofinbreng.

Huidreacties: gelijktijdige radiotherapie vermeerdert de kans op dermatologische (vooral mucosale) toxiciteit. Na contact met huid en slijmvliezen langdurig met water naspoelen.

Interacties

Relevant: de instelling op fenytoïne en valproïnezuur kan tijdelijk worden beïnvloed tijdens de chemokuur, met als mogelijk gevolg een te lage plasmaconcentratie van het anti-epilepticum.

Longtoxiciteit van bleomycine kan optreden, soms maanden na beëindigen van bleomycine, bij chirurgie waarbij zuurstof wordt toegediend tijdens anesthesie.

Niet relevant: de AUC van oraal toegediend digoxine kan afnemen.

De Cmax en AUC van zidovudine kunnen worden verlaagd. Verder kan er in theorie een additief effect van beenmergdepressie zijn.

Bij combinatie van relatief lage doses bleomycine met een koloniestimulerende factor is pulmonale toxiciteit gemeld, terwijl deze toxiciteit normaal pas bij hogere doses optreedt.

Interacties oncolytica algemeen

Relevant: de meeste cytostatische oncolytica (niet de tyrosinekinaseremmers en de monoklonale antilichamen) kunnen het effect van cumarinederivaten op vele manireren beïnvloeden. Hierdoor kan/zal de verlenging van de stollingstijd sterker fluctueren. Bovendien kan chemotherapie trombocytopenie veroorzaken. Trombocytopenie bij gebruik van cumarines geeft een extra verhoogde bloedingsneiging. Voor de meeste cytostatische oncolytica is toename van de werking van het cumarinederivaat gemeld, voor mercaptopurine en mitotaan is afname van de werking gemeld. Behalve enzymremming spelen ook andere factoren een rol, zoals de ziekte kanker zelf en chemotherapie gerelateerde factoren, zoals braken en leverinsufficiëntie door metastasen.

Levende vaccins: vanwege de immunosuppressieve werking van veel oncolytica kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. Dit geldt ook voor de monoklonale antilichamen en de tyrosinekinaseremmers met immunosuppressieve werking (zie aldaar). De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens gebruik van oncolytica die immunosuppressief werken kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan.

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen van natuurlijke oorsprong.

Niet beoordeeld: omega-3-vetzuren verminderen de effectiviteit van sommige oncolytica. KWF Kankerbestrijding ontraadt visoliesupplementen of vette vis te gebruiken vanaf 24 uur voorafgaand aan chemotherapie met irinotecan of platinaverbindingen tot en met 24 uur daarna.

 

Referenties

  1. Rademaker C.M.A. et al, Geneesmiddelen-Formularium voor Kinderen, 2007
  2. ZorgInstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 11-11-2021
  3. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 25 april 2016
  4. NKFK Werkgroep nierfunctiestoornissen, Extrapolatie van KNMP risico analyse "Verminderde nierfunctie" voor volwassenen naar kinderen, 20 Dec 2021

Wijzigingen

  • 19 april 2022 13:52: Doseeradvies bij nierfunctiestoornissen aangepast op basis van advies Werkgroep dosering bij nierfunctiestoornissen.

Therapeutic Drug Monitoring


Overdosering