Rituximab

Stofnaam
Rituximab
Merknaam
Mabthera
ATC code
L01XC02
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

Off-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Niet geregistreerd voor kinderen.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Conc. voor infusieopl. 10 mg/ml

Eigenschappen

Chimerisch humaan-muis monoklonaal antilichaam, bestaande uit een geglycosyleerd immunoglobuline met humane IgG1 constante regio's (Fc-domein) en muizen-lichte-keten en -zware-keten variabele regio's (Fab-domein). Het Fab-domein bindt zich specifiek aan het CD20-antigeen op B-lymfocyten en activeert via het Fc-domein immunologische effectorfuncties resulterend in celdood van B-cellen. Het CD20-antigeen komt tot expressie bij meer dan 95% van alle B-cel non-Hodgkin-lymfomen. Werking: na voltooiing van de eerste dosis dalen de mediane perifere B-cel-aantallen aanzienlijk onder de normaalwaarden. Bij oncologische indicaties bereikt het aantal B-cellen meestal binnen 12 maanden weer de normaalwaarde; soms duurt dit langer tot mediaan 23 maanden na inductietherapie. Bij reumatoïde artritis herstelt het aantal B-cellen in perifeer bloed zich meestal vanaf 6 maanden en vanaf 10 maanden is repopulatie aanwezig. Bij granulomatose met polyangiitis en microscopische polyangiitis treedt herstel van het aantal B–cellen meestal op na 12–18 maanden. De subcutane injectie bevat tevens recombinant humaan hyaluronidase, wat de verspreiding en resorptie bevordert.

Kinetische gegevens

Geen informatie

Doseringen

Indicatie: EBV-reactivatie/PTLD bij stamceltransplantatie
  • Intraveneus
    • 1 maand tot 18 jaar
      [4] [5] [6]
      • 375 mg/m2/dosis 1 x per week
      • Behandelduur:

        4-8 doses

Indicatie: Steroïd afhankelijk nefrotisch syndroom, ABO incompatibele niertransplantatie(aandoeningen die kunnen leiden tot/preventie van) rejectie na niertransplantatie, autoimmune cytopenieen, primaire vasculitis
Indicatie: Systemische lupus erythematodes (SLE) die niet reageert op de conventionele therapie
  • Intraveneus
    • 1 maand tot 18 jaar
      [33] [34] [37]
      • 375 mg/m2/dosis in 1 dosis per 2 weken
      • Behandelduur:

        2 doses

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.

OVERIGE ONCOLYTICA

OVERIGE ONCOLYTICA

Amsacrine

Amsidine
L01XX01

Asparaginase

Spectrila (colaspase), Erwinase (crisantaspase)
L01XX02

Bortezomib

Velcade
L01XX32
L01XX05
L01XX19

Mitotaan

Lysodren
L01XX23

Pegaspargase

Oncaspar
L01XX24

Tretinoine oraal

Vesanoid
L01XX14
MONOKLONALE ANTILICHAMEN
L01XC

Ipilimumab

Yervoy
L01XC11
PROTEINEKINASEREMMERS

Dasatinib

Sprycel
L01XE06

Imatinib

Glivec
L01XE01

Nilotinib

Tasigna
L01XE08

Vandetanib

Caprelsa
L01XE12
METHYLHYDRAZINEN

Procarbazine

Natulan
L01XB01

Bijwerkingen bij kinderen

Hypogammaglobulinemie. Pneumocystis jiroveci pneumonie.

Bijwerkingen bij volwassenen

Monotherapie of in combinatietherapie bij non-Hodgkinlymfoom of chronische lymfatische leukemie:

Zeer vaak (> 10%): bacteriële infecties, virale infecties, bronchitis. Leukopenie, (febriele) neutropenie, trombocytopenie. Infusiegerelateerde reacties, angio-oedeem. Misselijkheid. Jeuk, huiduitslag, alopecia. Koorts, rillingen, asthenie, hoofdpijn. Verlaagde IgG spiegels.

Vaak (1-10%): sepsis, luchtweginfectie, schimmelinfectie, hepatitis B-infectie. Anemie, pancytopenie, granulocytopenie. Overgevoeligheid. Hyperglykemie, gewichtsafname, perifeer oedeem, gezichtsoedeem, LDH-toename, hypocalciëmie. Paresthesie, hypo-esthesie, agitatie, slapeloosheid, vasodilatatie, duizeligheid, angst. Stoornis van de traanproductie, conjunctivitis. Tinnitus, oorpijn. Myocardischemie of -infarct, aritmie, atriumfibrilleren, tachycardie, hypertensie, (orthostatische) hypotensie. Bronchospasme, dyspneu, hoest, rinitis. Braken, diarree, obstipatie, buikpijn, dysfagie, stomatitis, dyspepsie, anorexia, keelirritatie. Urticaria, (nachtelijk) zweten. Hypertonie, myalgie, artralgie, rugpijn. Opvliegers, malaise, koudesyndroom, multiorgaan falen.

Soms (0,1-1%): stollingsstoornis, aplastische anemie, hemolytische anemie, lymfadenopathie. Depressie, nervositeit. Smaakstoornis. Hartfalen, angina pectoris, bradycardie. Astma, bronchiolitis obliterans, hypoxie. Opgezette buik. Pijn op de infusieplaats.

Zelden (0,01-0,1%): anafylaxie. Interstitiële longziekte.

Zeer zelden (< 0,01%): tijdelijke verhoging serum IgM–spiegels. Tumorlysis-syndroom, cytokine release syndroom, serumziekte. Craniale neuropathie (zoals aangezichtsverlamming, ernstig zichtverlies en zeer zelden gehoorverlies of verlies van overige zintuiglijke waarnemingen), perifere neuropathie. Vasculitis. Respiratoir falen. Gastro-intestinale perforatie. Ernstige bulleuze huidreacties, toxisch epidermale necrolyse, Stevens-Johnsonsyndroom. Nierfalen.

Verder zijn gemeld: late neutropenie. Infusiegerelateerde acute reversibele trombocytopenie. Posterieur reversibel encefalopathiesyndroom (PRES), progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML). Pulmonale infiltraten.

Na subcutane toediening zijn zeer vaak toedieningsgerelateerde en/of lokale reacties (pijn, zwelling, verharding, erytheem, jeuk, huiduitslag) gemeld, vooral binnen 24 uur na injectie.

Bij reumatoïde artritis:

Zeer vaak (> 10%): bovenste luchtweginfecties, urineweginfecties. Infusiegerelateerde reacties, symptomen zijn o.a. koorts, hypertensie, misselijkheid, huiduitslag, jeuk, urticaria, keelirritatie, opvliegers, hypotensie, rinitis, rillingen, tachycardie, vermoeidheid, orofaryngeale pijn, (perifeer) oedeem, erytheem en soms anafylaxie; fatale afloop is gemeld. Hoofdpijn. Verlaagde IgM-spiegels.

Vaak (1-10%): bronchitis, gastro-enteritis, tinea pedis. Neutropenie, zelden late neutropenie. Hypercholesterolemie. Paresthesie, migraine, duizeligheid, ischias. Alopecia. Depressie, angst. Dyspepsie, gastro-oesofageale reflux, mondulceratie, pijn in de bovenbuik, diarree. Artralgie, spierpijn, osteoartritis, bursitis. Verlaagde IgG-spiegels.

Zelden (0,01-0,1%): angina pectoris, atriumfibrilleren, hartfalen, myocardinfarct.

Zeer zelden (< 0,01%): progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML), hepatitis B-infectie reactivatie. Serumziekteachtige reactie. Atriumflutter. Toxisch epidermale necrolyse, Stevens-Johnsonsyndroom.

Bij granulomatose met polyangiitis en microscopische polyangiitis (meest voorkomende bijwerkingen):

Zeer vaak (> 10%): perifeer oedeem. Hoest, dyspneu, bloedneus. Hypertensie. Slapeloosheid. Diarree. Spierspasmen, gewrichtspijn.

Vaak (1-10%): urineweginfectie, bronchitis, herpes zoster, nasofaryngitis. Trombocytopenie. Cytokine release syndroom. Duizeligheid, tremor. Acne, blozen. Dyspepsie, obstipatie. Rugpijn, spierzwakte, spierpijn, pijn in ledematen. Hyperkaliëmie, verlaagd hemoglobine.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij volwassenen

Overgevoeligheid voor muriene eiwitten. Actieve ernstige infecties. Ernstig immuungecompromitteerde patiënten. Bij reumatoïde artritis, granulomatose met polyangiitis en microscopische polyangiitis tevens: ernstig hartfalen (NYHA-klasse IV), ernstige, ongecontroleerde cardiale aandoeningen. Subcutane injectie: overgevoeligheid voor hyaluronidase.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

Aanbevolen infusieduur: 3 uur. Tijdens de eerste infusie kunnen koorts, rillingen of rigor optreden. Daarom moet er voorafgaand aan elke toediening premedicatie gegeven worden, bestaande uit paracetamol en een antihistaminicum. Cave tensiedalingen, bronchospasmen. Daarom infusiesnelheid van de eerste infusie langzaam opvoeren.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Alle indicaties: alle patiënten screenen op hepatitis B–virus vóór aanvang van de behandeling. Bij een actieve hepatitis B–infectie géén behandeling beginnen; bij een positieve hepatitis B–serologie (zonder actieve ziekte) doorverwijzen naar een deskundige alvorens behandeling te beginnen. Wees voorzichtig bij een anamnese van terugkerende of chronische infecties en bij aandoeningen die vatbaar maken voor ernstige infecties. Het wordt aanbevolen vóór de behandeling immunoglobulinespiegels te bepalen. Controleer regelmatig op nieuwe of verslechterde neurologische signalen die mogelijk wijzen op progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML); staak rituximab permanent indien PML optreedt Bij een anamnese van een cardiale aandoening en/of cardiotoxische chemotherapie extra controleren op cardiale bijwerkingen. Controleer regelmatig het volledig bloedbeeld tijdens de behandeling en het aantal neutrofielen minstens voorafgaand aan iedere kuur, bij tekenen van infectie en tot 6 maanden na stoppen van de behandeling (i.v.m. optreden van late neutropenie). Voorzichtig bij aantal neutrofielen < 1,5 × 109/l en/of aantal bloedplaatjes < 75 × 109/l, omdat de klinische ervaring hierbij beperkt is. Rituximab is zonder optreden van myelotoxiciteit toegepast bij 21 patiënten die een autologe beenmergtransplantatie ondergingen en bij andere risicogroepen met waarschijnlijk een verminderde beenmergfunctie.

Bij oncologische indicaties: wees terughoudend bij een hoge tumorlast of een groot aantal (≥ 25 × 109/l) circulerende maligne cellen, vanwege meer kans op een ernstig 'cytokine release syndrome' (CRS). Indien toch wordt behandeld zeer nauwgezet controleren tijdens de eerste infusie en een verlaagde infusiesnelheid overwegen. CRS treedt binnen 1—2 uur na het begin van de eerste infusie op met verschijnselen zoals ernstige dyspneu, bronchospasme of hypoxie. Staak in dat geval onmiddellijk de toediening en start een agressieve symptomatische behandeling. Het risico van een ernstig beloop van CRS is groter bij pulmonale insufficiëntie in de anamnese of bij een pulmonale tumorinfiltratie. De patiënt zorgvuldig controleren totdat het tumorlysissyndroom en de pulmonale infiltratie zijn verdwenen of uit zijn te sluiten (d.m.v. laboratoriumonderzoek en röntgenonderzoek van de thorax), omdat na een aanvankelijke verbetering van de symptomen een achteruitgang kan optreden. De behandeling hervatten met maximaal de helft van de voorafgaande infusiesnelheid. Indien opnieuw ernstige bijwerkingen optreden, volledig staken van de behandeling ernstig overwegen. Bij behandeling van CLL met fludarabine/cyclofosfamide/rituximab (FCR) is late neutropenie gemeld (aantal neutrofielen < 1,0 × 109/l vanaf 24 tot 42 dagen na de laatste dosis rituximab). Overweeg te stoppen met antihypertensiva 12 uur voorafgaand aan de behandeling, omdat hypotensie kan optreden. Gedurende behandeling met de subcutane formulering bij voorkeur andere geneesmiddelen voor subcutaan gebruik op andere plaatsen op het lichaam toedienen. Na subcutane toediening de patiënt minstens 15 minuten observeren i.v.m. het eventueel optreden van bijwerkingen.

Bij reumatoïde artritis en/of granulomatose met polyangiitis en microscopische polyangiitis: zowel bij de eerste als bij vervolginfusies kunnen allergische reacties optreden; fatale afloop is gemeld. Bij een cardiale voorgeschiedenis en bij eerder ervaren cardiopulmonale bijwerkingen extra zorgvuldig controleren. Het gelijktijdige gebruik van rituximab en antireumatische therapieën, anders dan methotrexaat, wordt niet aanbevolen. Patiënten nauwgezet controleren op symptomen van infectie als biologische middelen en/of DMARD’s aansluitend op de behandeling met rituximab zijn gebruikt.

De veiligheid en effectiviteit bij kinderen < 18 jaar en bij volwassenen in combinatie met andere chemotherapieën dan CHOP zijn niet vastgesteld. De mate van respons bij patiënten die eerder reageerden op behandeling met rituximab, lijkt vergelijkbaar te zijn bij opnieuw behandelde patiënten. De veiligheid van de subcutane toediening eenmaal per week is niet vastgesteld, daarom wordt gebruik van de subcutane formulering als monotherapie bij patiënten met folliculair lymfoom niet aanbevolen.



 

Interacties

Niet beoordeeld: tijdens infusie kan hypotensie optreden; het staken van antihypertensiva 12 uur voorafgaand aan toediening van rituximab dient te worden overwogen.

Interacties monoclonale antilichamen algemeen

Relevant:

Levende vaccins: tijdens het gebruik van monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking (brentuximab vedotine, daratumumab, elotuzumab, gemtuzumab ozogamicine, inotuzumab ozogamicine, ofatumumab, obinutuzumab, rituximab, siltuximab en trastuzumab emtansine) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De combinatie moet worden vermeden.

Levende vaccins: tijdens het gebruik van monoklonale antilichamen die immunomodulerend werken (atezolizumab, avelumab, blinatumomab, dinutuximab beta, ipilimumab, nivolumab, pembrolizumab) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken, en kan vaccinatie sowieso niet of minder effectief zijn gezien het ontbreken van een adequate immuunrespons. De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens gebruik van monoklonale antilichamen die immunosuppressief werken kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan.

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met cumarinederivaten (uitzondering zijn gemtuzumab ozogamicine, inotuzumab ozogamicine en trastuzumab emtansine, omdat deze een cytotoxische component bevatten).

Interacties oncolytica algemeen

Relevant: de meeste cytostatische oncolytica (niet de tyrosinekinaseremmers en de monoklonale antilichamen) kunnen het effect van cumarinederivaten op vele manireren beïnvloeden. Hierdoor kan/zal de verlenging van de stollingstijd sterker fluctueren. Bovendien kan chemotherapie trombocytopenie veroorzaken. Trombocytopenie bij gebruik van cumarines geeft een extra verhoogde bloedingsneiging. Voor de meeste cytostatische oncolytica is toename van de werking van het cumarinederivaat gemeld, voor mercaptopurine en mitotaan is afname van de werking gemeld. Behalve enzymremming spelen ook andere factoren een rol, zoals de ziekte kanker zelf en chemotherapie gerelateerde factoren, zoals braken en leverinsufficiëntie door metastasen.

Levende vaccins: vanwege de immunosuppressieve werking van veel oncolytica kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. Dit geldt ook voor de monoklonale antilichamen en de tyrosinekinaseremmers met immunosuppressieve werking (zie aldaar). De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens gebruik van oncolytica die immunosuppressief werken kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan.

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen van natuurlijke oorsprong.

Niet beoordeeld: omega-3-vetzuren verminderen de effectiviteit van sommige oncolytica. KWF Kankerbestrijding ontraadt visoliesupplementen of vette vis te gebruiken vanaf 24 uur voorafgaand aan chemotherapie met irinotecan of platinaverbindingen tot en met 24 uur daarna.

Referenties

  1. Rademaker C.M.A. et al, Geneesmiddelen-Formularium voor Kinderen, 2007
  2. ZorgInstituut Nederand, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 15 mrt 2016
  3. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 16 aug 2018
  4. Gallego S, et al, Post-transplant lymphoproliferative disorders in children: the role of chemotherapy in the era of rituximab. , Pediatr Transplant, 2010, Feb;14(1), 61-6
  5. Svoboda J et al, Management of patients with post-transplant lymphoproliferative disorder: the role of rituximab, Transpl Int, 2006, Apr;19(4):, 259-69
  6. Worth A et al, Pre-emptive rituximab based on viraemia and T cell reconstitution: a highly effective strategy for the prevention of Epstein-Barr virus-associated lymphoproliferative disease following stem cell transplantation, Br J Haematol, 2011, Nov;155(3), 377-85
  7. Bader-Meunier B et al. , Rituximab therapy for childhood Evans syndrome. , Haematologica. , 2007, Dec;92(12):, 1691-4
  8. Basu B et al. , Favourable renal survival in paediatric microscopic polyangiitis: efficacy of a novel treatment algorithm. , Nephrol Dial Transplant., 2015, Apr;30 Suppl 1:i, 113-8
  9. Billing H et al. , IVIG and rituximab for treatment of chronic antibody-mediated rejection: a prospective study in paediatric renal transplantation with a 2-year follow-up., Transpl Int., 2012, Nov;25(11):, 1165-73
  10. Comoli P et al., Treatment of EBV-related post-renal transplant lymphoproliferative disease with a tailored regimen including EBV-specific T cells., Am J Transplant, 2005 , Jun;5(6):, 1415-22
  11. Donnithorne KJ et al. , Rituximab therapy for severe refractory chronic Henoch-Schönlein purpura. , J Pediatr., 2009, Jul;155(1):, 136-9
  12. Eleftheriou D et al. , Biologic therapy in primary systemic vasculitis of the young., Rheumatology (Oxford)., 2009, Aug;48(8), 978-86
  13. Fornoni A et al. , Rituximab targets podocytes in recurrent focal segmental glomerulosclerosis. , Sci Transl Med., 2011, Jun 1;3(85):, 85ra46
  14. Genberg H et al. , ABO-incompatible kidney transplantation using antigen-specific immunoadsorption and rituximab: a 3-year follow-up., Transplantation, 2008, Jun 27;85(12):, 1745-54
  15. Giulino LB et al. 2007 , Treatment with rituximab in benign and malignant hematologic disorders in children., J Pediatr. , 2007, Apr;150(4):, 338-44, 344.e1
  16. Harambat J et al. , Successful treatment with rituximab for acute refractory thrombotic thrombocytopenic purpura related to acquired ADAMTS13 deficiency: a pediatric report and literature review., Pediatr Crit Care Med., 2011, Mar;12(2), e90-3
  17. Hugle B et al. , Pneumocystis jiroveci pneumonia following rituximab treatment in Wegener's granulomatosis. , Arthritis Care Res (Hoboken)., 2010, Nov;62(11):, 1661-4
  18. Iijima K et al. , Rituximab for childhood-onset, complicated, frequently relapsing nephrotic syndrome or steroid-dependent nephrotic syndrome: a multicentre, double-blind, randomised, placebo-controlled trial., Lancet., 2014, Oct 4;384(9950):, 1273-81
  19. Kemper MJ et al. , Is rituximab effective in childhood nephrotic syndrome? Yes and no., Pediatr Nephrol., 2014, Aug;29(8):, 1305-11
  20. Khandelwal P et al. , Outcomes of renal transplant in patients with anti-complement factor H antibody-associated hemolytic uremic syndrome., Pediatr Transplant. , 2014, Aug;18(5):, E134-9
  21. Kidney Disease: Improving Global Outcomes (KDIGO) Glomerulonephritis Work Group. , KDIGO Clinical Practice Guideline for Glomerulonephritis., Kidney int Suppl., 2012, 2, 139–274
  22. Kimata T et al. , Novel use of rituximab for steroid-dependent nephrotic syndrome in children. , Am J Nephrol., 2013, 38(6):, 483-8
  23. Kumar J et al. , Rituximab in post-transplant pediatric recurrent focal segmental glomerulosclerosis., Pediatr Nephrol. , 2013 , Feb;28(2):, 333-8
  24. Liang Y et al. , Rituximab for children with immune thrombocytopenia: a systematic review., PLoS One, 2012, 7(5), :e36698
  25. Losa Frías V et al. , Role of rituximab in the management of refractory autoimmune cytopenia., An Pediatr (Barc). , 2013 , Jun;78(6):, 398-404
  26. Neunert C et al. , The American Society of Hematology 2011 evidence-based practice guideline for immune thrombocytopenia., Blood. , 2011 , Apr 21;117(16):, 4190-207
  27. Pescovitz MD et al. , Use of antibody induction in pediatric renal transplantation. , Curr Opin Organ Transplant., 2008 , Oct;13(5):, 495-9
  28. Provan D et al. , International consensus report on the investigation and management of primary immune thrombocytopenia., Blood. , 2010 , Jan 14;115(2):, 168-86
  29. Ravani P et al. , Rituximab is a safe and effective long-term treatment for children with steroid and calcineurin inhibitor-dependent idiopathic nephrotic syndrome., Kidney Int. , 2013 , Nov;84(5):, 1025-33
  30. Reese JA et al. , Children and adults with thrombotic thrombocytopenic purpura associated with severe, acquired Adamts13 deficiency: comparison of incidence, demographic and clinical features., Pediatr Blood Cancer. , 2013 , Oct;60(10):, 1676-82
  31. Roche registration limited. , SPC Mabthera (6-6-2014). , www.ema.europa.eu
  32. Steele M et al. , Thrombotic thrombocytopenic purpura in pediatric patients., Zhongguo Dang Dai Er Ke Za Zhi. , 2012 , Nov;14(11):, 803-10
  33. Su GX et al. , Rituximab therapy for severe pediatric systemic lupus erythematosus., Zhonghua Er Ke Za Zhi., 2012 , Sep;50(9):, 697-704
  34. Tullus K et al. , New developments in the treatment of systemic lupus erythematosus., Pediatr Nephrol., 2012 , May;27(5):, 727-32
  35. Tydén H et al. , ABO-incompatible kidney transplantation in children., Pediatr Transplant. , 2011, Aug;15(5):, 502-4
  36. Vinai M et al. , Recurrence of focal segmental glomerulosclerosis in renal allograft: an in-depth review., Pediatr Transplant. , 2010 , May;14(3):, 314-25
  37. Watson L et al. , The indications, efficacy and adverse events of rituximab in a large cohort of patients with juvenile-onset SLE., Lupus. , 2015 , Jan;24(1), 10-7
  38. Zarkhin V et al. , A randomized, prospective trial of rituximab for acute rejection in pediatric renal transplantation., Am J Transplant., 2008 , Dec;8(12):, 2607-17
  39. Stojanovic J et al. , Immune Desensitization Allows Pediatric Blood Group Incompatible Kidney Transplantation, Transplantation. , 2017 , Jun;101(6), 1242-1246

Wijzigingen

  • 15 maart 2016 11:58: De literatuur over de toepassing van rituximab bij kinderen is beoordeeld. Dit heeft geleid tot de toevoeging van de indicaties Steroïd afhankelijk nefrotisch syndroom, ABO incompatibele niertransplantatie, (aandoeningen die kunnen leiden tot/preventie van) rejectie na niertransplantatie, autoimmune cytopenieen, primaire vasculitis en SLE niet reagerend op conventionele therapie