Difterie-Tetanus-Polio vaccin (DTP)

Stofnaam
Difterie-Tetanus-Polio vaccin (DTP)
Merknaam
DTP, Revaxis
ATC code
J07CA01

Difterie-Tetanus-Polio vaccin (DTP)

Apotheek icon
Voor ouders op Apotheek.nl
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

On-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

DTP is geregistreerd voor actieve immunisatie tegen difterie, tetanus en poliomyelitis. DTP vaccin kan zowel voor primaire immunisatie (van personen vanaf 5 jaar) als voor hervaccinatie worden gebruikt, dosis 1 ml.
Revaxis is uitsluitend geregistreerd voor revaccinatie voor kinderen vanaf 6 jaar, dosis 0,5 ml.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Injectievloeistof; wegwerpspuit 0,5 ml (Revaxis), 1 ml (DTP vaccin)

Eigenschappen

De tetanus- en difteriecomponenten geven aanleiding tot vorming van toxineneutraliserende antistoffen en stimulering van het immunologische geheugen. De poliocomponent resulteert in humorale immuniteit, immunologisch geheugen en bescherming.

Kinetische gegevens

Geen informatie

Doseringen

Indicatie: RIJKSVACCINATIEPROGRAMMA DTP (Difterie-Tetanus-Polio )
  • Intramusculair
Indicatie: Primaire immunisatie
  • Intramusculair
    • ≥ 5 jaar
      [4]
      • 1e vaccinatie: >5 jr, willekeurig tijdstip onafhankelijk van leeftijd.
        2e vaccinatie: tenminste 1 maand na 1e vaccinatie
        3e vaccinatie: tenminste 6 maanden na 2e vaccinatie.

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.

Bijwerkingen bij volwassenen

Zeer vaak (> 10%): zwelling, roodheid, pijn op injectieplaats. Misselijkheid. Lusteloosheid. Vaak (1-10%): hoofdpijn. Koorts. Blauwe plek op de injectieplaats. Vertigo. Soms (0,1-1%): flauwvallen rond de vaccinatie. Braken. Lymfadenopathie. Myalgie. Malaise. Zelden (0,1-0,01%): artralgie. Zeer zelden (< 0,01%): buikpijn, urticaria, zwelling van lichaamsdelen (overgevoeligheidsreactie), zwelling van de injectie-arm, huiduitslag, jeuk, induratie. Verder zijn gemeld: Guillain-Barrésyndroom, brachiale neuritis, tijdelijk paresthesie/hypo-esthesie. Diarree.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij volwassenen

Actieve infectieziekte.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Na subcutane injectie kan een heftige lokale reactie ontstaan, vaak gepaard gaande met stijging van de temperatuur tot hoge waarden gedurende 1–2 dagen; bij hoge uitzondering kan een steriel abces ontstaan. Voorzichtig bij trombocytopenie en bloedstoornissen. Bij Guillain-Barrésyndroom of brachiale neuritis in de voorgeschiedenis na eerdere vaccinatie met tetanustoxoïde, zorgvuldig afwegen om te vaccineren. Bij een immunosuppressieve behandeling of een immunodeficiëntie kan de immuunrespons op het DTP-vaccin uitblijven. DTP-vaccin: de kleur van het vaccin is oranjerood. Indien de kleur geel of violet is, mag het vaccin niet worden gebruikt.

Interacties

Interacties vaccins algemeen:

Gelijktijdig geven van vaccins

  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met andere dode vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • parenteraal toegediende levende vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met oraal toegediende levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • twee parenteraal toegediende levende vaccins worden bij voorkeur met een interval van ten minste 4 weken toegediend. Reden hiervoor is het induceren van de productie van interferonen gedurende 1-2 weken door het ene vaccin, die kunnen interfereren met de immuunrespons op het andere vaccin. Indien dit niet mogelijk is, kunnen ze ook tegelijkertijd worden toegediend.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten

Deze kunnen specifieke antistoffen bevatten tegen het virus in het toegediende levende virusvaccin, waardoor de immuunrespons kan worden verzwakt. Het levende virusvaccin dient ten minste 14 dagen voor (bij varicellavaccin wordt aangegeven 1 maand) of ten minste 6 weken na (bij voorkeur 3 maanden, bij varicellavaccin wordt aangegeven 5 maanden) toediening van immunoglobulinen, bloed of bloedproducten te worden gegeven.

Van zostervaccin is niet bekend of het een interactie geeft met bloedproducten; er hoeft geen interval te worden aangehouden.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten van Nederlandse donoren bevatten geen antistoffen tegen het gelekoortsvirus; deze mogen gelijktijdig worden gegeven met het gelekoortsvaccin.

Relevant:

Levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde DMARD's, veel oncolytica (inclusief een aantal tyrosinekinaseremmers en monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking, zie aldaar)) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectieziekte veroorzaken. Deze combinaties moeten worden vermeden. Combinatie met corticosteroïden is in het algemeen gecontraïndiceerd zolang het corticosteroïd immunosuppressie veroorzaakt, met name bij systemisch gebruik langer dan 2 weken, echter niet bij suppletie en niet bij lokale toepassing (behalve bij grote oppervlakken onder occlusie).

Tijdens het gebruik van monoklonale antilichamen die immunomodulerend werken (zie aldaar) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken, en kan vaccinatie sowieso niet of minder effectief zijn gezien het ontbreken van een adequate immuunrespons. De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde DMARD's, veel oncolytica (inclusief een aantal tyrosinekinaseremmers en monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking, zie aldaar)) kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan. Griepvaccinatie wordt sowieso aanbevolen bij personen met verminderde weerstand tegen infecties (bijvoorbeeld door immunosuppressieve medicatie of chemotherapie).

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met lokaal toegediend pimecrolimus of tacrolimus.

 

Referenties

  1. ZorgInstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen)., Geraadpleegd 19 okt 2014
  2. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 29 juni 2017
  3. RIVM, Rijksvaccinatieprogramma: vaccinatieschema, Geraadpleegd 19 okt 2014
  4. Nederlands Vaccin Instituut, SPC DTP RVG 17641, www.cbg-meb.nl, http://db.cbg-meb.nl/IB-teksten/h17641.pdf (geraadpleegd 30 okt 2009)

Wijzigingen