Sotalol (hydrochloride)

Stofnaam
Sotalol (hydrochloride)
Merknaam
Sotacor
ATC code
C07AA07
Apotheek icon
Voor ouders op Apotheek.nl
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

Off-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Niet geregistreerd voor kinderen.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Inj.vlst. (hydrochloride) 10 mg/ml 4 ml (registratie Sotacor® injectievloeistof is per 01-11-2012 doorgehaald, importeren inj. vlst. mogelijk via internationale apotheek IP-International Pharmacy
Tablet (hydrochloride) 40 mg, 80 mg, 160 mg
Sotalol drank (hydrochloride) 5 mg/ml, doorgeleverde bereiding

 NB: De injectievloeistof kan oraal worden toegediend.

Eigenschappen

Niet-selectieve hydrofiele β-blokker zonder intrinsieke sympathicomimetische activiteit (ISA); daarnaast heeft het klasse III-anti-aritmische eigenschappen. Sotalol vermindert de invloed van adrenerge prikkels op het hart. Het hartminuutvolume en het cardiale zuurstofverbruik nemen af. Tevens wordt de AV-geleiding vertraagd en treedt een antihypertensief effect op. De effectieve refractaire periode in atrium, ventrikel en accessoire banen wordt verlengd, waardoor QTc-(QT-interval gecorrigeerd voor de hartfrequentie) en PR-interval zijn verlengd, zonder verandering van QRS-duur.

Kinetische gegevens

De volgende farmacokinetische parametes zijn in de literatuur vermeld :
≤ 1 maand: T1/2 = gemiddeld 8,4 uur, schijnbare klaring: 11 ml/min.
1 – 24 mnd: T1/2 = gemiddeld 7,4 uur, schijnbare klaring: 32 ml/min.
> 2 jr tot < 7 jr: T1/2 = gemiddeld 9,1 uur, schijnbare klaring: 63 ml/min.
7 – 12 jr: T1/2 = gemiddeld 9,2 uur, schijnbare klaring: 9 ml/min.
T max ( 4 dagen – 12 jr) : gemiddeld 2 – 3 uur

Doseringen

Indicatie: Conversie aritmieën
  • Intraveneus
    • 1 maand tot 18 jaar
      • 0,2 - 1,5 mg/kg/dosis éénmalig in 5-10 minuten Onder IC bewaking en controle QT interval
Indicatie: Ventriculaire en supraventriculaire ritmestoornissen
  • Oraal
    • a terme neonaat
      • Startdosering: 2 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: op geleide van het effect om de 3 dagen ophogen tot 4 mg/kg/dag in 3 doses , max: 10mg/kg/dag
      • Bij onvoldoende effect of bijwerkingen kunnen spiegels gemeten worden (0,4 – 1 mg/l).

        ...lees verder
    • 1 maand tot 6 maanden
      • Startdosering: 3 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: op geleide van het effect om de 3 dagen ophogen tot 5 mg/kg/dag in 3 doses , max: 10mg/kg/dag
      • Bij onvoldoende effect of bijwerkingen kunnen spiegels gemeten worden (0,4 – 1 mg/l).

        ...lees verder
    • 6 maanden tot 2 jaar
      • Startdosering: 3 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: op geleide van het effect om de 3 dagen ophogen tot 6 mg/kg/dag in 3 doses , max: 10mg/kg/dag
      • Bij onvoldoende effect of bijwerkingen kunnen spiegels gemeten worden (0,4 – 1 mg/l).

        ...lees verder
    • 2 jaar tot 6 jaar
      • Startdosering: 3 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: op geleide van het effect om de 3 dagen ophogen tot 5 mg/kg/dag in 3 doses , max: 10mg/kg/dag
      • Bij onvoldoende effect of bijwerkingen kunnen spiegels gemeten worden (0,4 – 1 mg/l).

        ...lees verder
    • 6 jaar tot 18 jaar
      • Startdosering: 2 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: op geleide van het effect om de 3 dagen ophogen tot 3 mg/kg/dag in 3 doses , max:10mg/kg/dag maar niet hoger dan 320mg/dag
      • Bij onvoldoende effect of bijwerkingen kunnen spiegels gemeten worden (0,4 – 1 mg/l).

        ...lees verder

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Aanpassingen als volgt:

GFR 50-80 ml/min/1.73 m2
Aanpassing niet nodig.
GFR 30-50 ml/min/1.73 m2
50 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 8 uur eenmalige intraveneuze dosering niet aanpassen bij een verminderde nierfunctie.
GFR 10-30 ml/min/1.73 m2
25 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 8 uur eenmalige intraveneuze dosering niet aanpassen bij een verminderde nierfunctie.
GFR < 10 ml/min/1.73 m2
Een algemeen doseeradvies wordt niet gegeven
Klinische gevolgen

Bij verminderde nierfunctie neemt de renale eliminatie van sotalol af. Hierdoor is de halfwaardetijd verlengd en stijgt de plasmaspiegel, waardoor het risico op bijwerkingen is verhoogd: Hypotensie, bradycardie, AV-block, verbreed QRS-complex, bronchospasmen, hypoglykemie, verlenging van het QTc-interval, torsade de pointes en ventriculaire tachycardie.

BETA-BLOKKERS

SELECTIEVE BETA-BLOKKERS
C07AB03
C07AB09

Metoprolol

Selokeen
C07AB02
ALFA- EN BETA-BLOKKERS
C07AG02

Labetalol

Trandate
C07AG01
NIET-SELECTIEVE BETA-BLOKKERS
C07AA05

Bijwerkingen bij kinderen

Pro-aritmische effecten, vermoeheid, duizeligheid, hoofdpijn, dyspnoe, torsades de pointes door QTc verlenging, provocatie van decompensatio cordis of hypoglykemie.

Bijwerkingen bij volwassenen

Aan de farmacologische werkzaamheid van β-blokkers inherente bijwerkingen kunnen zijn: bronchospasmen, dyspneu, bradycardie, hypotensie en duizeligheid, hartfalen, hypoglykemie, syndroom van Raynaud, verergering van bestaande claudicatio intermittens (etalagebenen) en koude, cyanotische extremiteiten. Andere bijwerkingen van β-blokkers kunnen zijn: maag-darmklachten (misselijkheid, braken, diarree, dyspepsie, buikpijn, flatulentie), vermoeidheid, seksuele disfunctie, verminderd concentratie- en reactievermogen en hoofdpijn. Klachten over droge ogen en verergering van psoriasis zijn in verband gebracht met gebruik van β-blokkers. AV–geleidingsstoornissen, palpitaties, pijn op de borst, oedeem, ECG–afwijkingen, (pre–)syncope, pro-aritmische effecten zoals toename of uitlokking van aritmieën. Door verlenging van de QTc kan 'torsade de pointes' (ventriculaire aritmie) optreden. Verder trombocytopenie, eosinofilie, leukopenie. Depressie, angst, slaapstoornissen, paresthesieën, asthenie. Visusstoornissen. Huiduitslag, jeuk, fotosensibilisatie, diaforese. Spier–of gewrichtspijn, kramp. Koorts. Gehoorproblemen. Smaakstoornissen.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij kinderen

Verlengd QT-interval, sinusbradycardie, AV block, hypotensie, bradycardie, CARA en decompensatio cordis.

Contraindicaties bij volwassenen

Sick-sinussyndroom, tweede- en derdegraads AV-blok zonder pacemaker, arteriële hypotensie (behalve ten gevolge van aritmie), cardiogene shock, bradycardie (< 50 slagen/min). Anesthesie die myocardiale depressie veroorzaakt. Onbehandeld feochromocytoom. Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 10 ml/min). Onbehandeld hartfalen. Congenitale of verworven verlengde QT-syndromen; 'torsade de pointes'. Metabole acidose. Perifere arteriële circulatiestoornissen (M Raynaud). Overgevoeligheid voor sulfonamiden. Prinzmetal-angina pectoris.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

Voor het begin van de behandeling en vóór verandering van de dosering dient ECG-controle met meting van het gecorrigeerde QT-interval plaats te vinden. Tevens is de bepaling van de nierfunctie en elektrolytbalans vereist. Grote voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdig gebruik van verapamil (Isoptin) in verband met kans op ernstige hartritmestoornissen. Aangezien sotalol voornamelijk via de nieren wordt uitgescheiden, dient de dosering bij patiënten met een verminderde nierfunctie aangepast te worden. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met diabetes aangezien sotalol sommige belangrijke symptomen van een acute hypoglykemie kan maskeren.

Uit informatie bij volwassenen blijkt dat sotalol na orale toediening vrijwel volledig wordt geabsorbeerd. De biologische beschikbaarheid bedraagt meer dan 90%. Voedsel vermindert de absorptie met ong. 20%. Er wordt daarom aangeraden sotalol tenminste een half uur vóór het eten in te nemen. Ook bij kinderen raden we dit aan. Indien dit vanwege praktische bezwaren niet mogelijk is, raden we aan sotalol altijd op een zelfde moment t.o.v. de voeding in te nemen.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Voor het begin van de behandeling en vóór verandering van de dosering wordt ECG-controle met meting van het gecorrigeerde QT-interval, bepaling van de nierfunctie en elektrolytbalans aanbevolen. Eventuele hypokaliëmie of hypomagnesiëmie eerst corrigeren. Klinische instelling is nodig bij aanhoudende ventriculaire tachyaritmieën en bij dosisverhoging. Gedurende de behandeling de patiënt regelmatig monitoren en ECG–controle uitvoeren. Als de ECG–parameters gaan afwijken (≥ 25% verlenging van het QRS– of QT–interval, ≥ 50% verlenging van het PQ–interval of bij QTc–interval > 480 ms) of bij verergering van de aritmieën de behandeling heroverwegen. De kans op ernstige pro-aritmie ('torsade de pointes' of hernieuwd aanhoudend VT/VF) is bij doses tot 320 mg kleiner dan 2%; bij hogere doses is die kans meer dan verdubbeld. De ervaring is dat het risico van 'torsade de pointes' toeneemt bij verlengd QT-interval (>450 ms), bradycardie (<60 slagen/min), hoge sotalolplasmaconcentratie, combinatie met andere middelen die 'torsade de pointes' bevorderen, hartfalen in de anamnese, ernstige ventriculaire aritmieën, hypokaliëmie of hypomagnesiëmie (ernstige langdurige diarree en gebruik van diuretica kunnen dit risico vergroten). Vrouwen hebben meer kans op 'torsade de pointes'. Bij linkerventrikeldisfunctie beginnen met een lagere dosering en deze voorzichtig verhogen. Bij een linkerventrikelejectiefractie ≤ 40% zonder ernstige ventriculaire aritmieën het gebruik vermijden. Bij hartfalen kan sotalol door de β-blokkerende werking de myocardiale contractiliteit verder doen afnemen en een plotselinge decompensatie van ernstige hartinsufficiëntie veroorzaken. Voorzichtigheid is geboden bij eerstegraads AV–blok. Indien de hartfrequentie afneemt tot 50–55 slagen/min in rust en de patiënt met bradycardie geassocieerde symptomen vertoont, dient de dosering te worden verlaagd. Bij 'ernstiger' bradycardie (< 50 slagen/min) de toediening staken. Beëindiging – ook tijdelijk – van een behandeling met β-blokkers dient, zo mogelijk, geleidelijk plaats te vinden gedurende 1–2 weken, in ieder geval bij patiënten met angina pectoris of hypertensie. Plotseling staken kan leiden tot ernstige aritmieën, hartinfarct en plotselinge dood of kan een latente coronaire hartziekte tot uiting laten komen. Bij obstructieve aandoeningen van de luchtwegen sotalol uitsluitend toepassen onder adequaat toezicht; bij een verhoging van de luchtwegweerstand, staken van de β-blokker overwegen. Bij chronische obstructieve longziekten kan de benauwdheid verergeren; indien een acute astma–aanval optreedt het gebruik eventueel staken. β-Blokkers kunnen de adrenerge symptomen van thyrotoxicose en van hypoglykemie maskeren, terwijl herstel van de glucosespiegel na hypoglykemie kan worden vertraagd, vooral door de niet-selectieve β-blokkers. Bij continuering van toediening van een β-blokker tijdens algemene anesthesie dient men rekening te houden met een veranderde hemodynamische respons op stress. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige overgevoeligheidsreacties in de anamnese en tijdens desensibilisatietherapie, omdat met name niet-selectieve β-blokkers de gevoeligheid voor allergenen en de ernst van anafylactoïde reacties kunnen doen toenemen. Bij een voorgeschiedenis van psoriasis is terughoudendheid met β-blokkers geboden. Bij nierfunctiestoornissen dient de dosering te worden verlaagd op geleide van de creatinineklaring. De veiligheid en werkzaamheid is bij personen onder 18 jaar niet onderzocht. Bij gebruik van de fotometrische bepaling van metanefrine in de urine kan de uitkomst verstoord zijn. Voor screening van urine bij verdenking op feochromocytoom dient een HPLC-bepaling met 'solid phase' extractie te worden gebruikt. Sotalol kan aanleiding geven tot een positieve uitslag in een dopingtest.

Interacties

Relevant: sotalol kan het QTc-interval verlengen, het risico op ernstige hartritmestoornissen is verhoogd bij combinatie met andere middelen waarbij ernstige hartritmestoornissen zoals torsade de pointes zijn gemeld.

Interacties antiaritmica algemeen
Relevant: antiaritmica klasse IA en III, en flecaïnide kunnen het QTc-interval verlengen en torsade de pointes is gemeld, het risico hierop is verhoogd bij combinatie met andere middelen waarbij torsade de pointes is gemeld. Zie verder inleidende tekst Interactielijsten, QTc-verlengers.

Niet beoordeeld: bij antiaritmica klasse IA en III kan het QTc-interval ook extra worden verlengd bij combinatie met middelen die hypokaliëmie kunnen veroorzaken (zoals amfotericine B intraveneus, corticosteroïden, thiazidediuretica en sommige laxantia).

Interacties β-Blokkers algemeen

Relevant:

β-Blokkers versterken het effect van: bij de eerste dosis van een niet-selectieve α1A-blokker (alfuzosine, doxazosine, terazosine) kan acute hypotensie optreden; dit kan worden verergerd bij toevoegen van de α-blokker aan de behandeling met een β-blokker.

Bij combinatie met diltiazem of verapamil kan de remmende werking op de AV-geleiding en de antihypertensieve werking worden versterkt, met als gevolg bradycardie, AV-block en hypotensie. De combinatie wordt in bepaalde gevallen bewust toegepast vanwege het synergistische effect, en wordt bij voorkeur (poli)klinisch ingesteld.

β-Blokkers verminderen het effect van: niet-selectieve β-blokkers en β-sympathicomimetica kunnen elkaars werking verminderen. Dit is van klinisch belang bij β-sympathicomimetica die bij astma of COPD worden toegepast, zie inleidende tekst Sympathicomimetica met vooral β2-effect. Bij voorkeur wordt de niet-selectieve β-blokker vervangen.

Overig effect: niet-selectieve β-blokkers, en in mindere mate selectieve β-blokkers, kunnen de verschijnselen van hypoglykemie (bij gebruik van insuline, een sulfonylureumderivaat of repaglinide) maskeren en het herstel uit een hypoglykemie vertragen. Tevens kunnen ze tijdens hypoglykemie ernstige hypertensie veroorzaken. Tijdens hypoglykemie komt adrenaline vrij dat direct α-receptoren stimuleert (gevolg onder andere vasoconstrictie) en β-receptoren stimuleert (gevolg onder andere vasodilatatie); door toediening van een β-blokker wordt vasoconstrictie niet langer tegengewerkt. Verder kan de hypoglykemische werking van orale bloedglucoseverlagende middelen afnemen, omdat β-blokkers de door deze middelen geïnduceerde insulinesecretie uit het pancreas remmen.

Een niet-selectieve β-blokker wordt bij voorkeur vermeden, maar dit is niet altijd mogelijk. De 'veiligheid' van een selectieve β-blokker is relatief; bij hoge doses kan de selectiviteit verloren gaan.

β-Blokkers antagoneren de β-mimetische werking van adrenaline, dit is met name riskant bij anafylaxie (verminderde bronchusverwijding en verminderde hemodynamische werking). Deze interactie is vooral gemeld voor niet-selectieve β-blokkers en (vrijwel) niet voor selectieve β-blokkers.

NSAID's kunnen de antihypertensieve werking van de β-blokker verminderen; bij NSAID-gebruik tot 2 weken is dit effect weinig relevant. Bij overige indicaties van een β-blokker, zoals angina pectoris of tremor, is interactie met NSAID's niet beschreven.

Niet relevant: fingolimod verlaagt de hartslag; bij combinatie met een β-blokker kan de hartslag extra verlagen.

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met de selectieve α1A-blokkers silodosine en tamsulosine en voor interactie van selectieve β-blokkers met β-sympathicomimetica (bij astma of COPD).

Niet beoordeeld: antacida kunnen de absorptie van β-blokkers verminderen. Een interval van 2 uur tussen het innemen wordt aanbevolen.

Fenobarbital, primidon en rifampicine versterken het metabolisme in de lever van β-blokkers die voornamelijk door de lever worden gemetaboliseerd.

De β-mimetische werking van dopamine, efedrine en noradrenaline wordt geantagoneerd. Hierdoor blijft alleen de α-mimetische werking van deze stoffen over, waardoor hypertensie en reflexbradycardie kunnen optreden.

Cimetidine remt het metabolisme van propranolol, labetalol en metoprolol en andere β-blokkers die door de lever worden gemetaboliseerd.

Hydralazine en alcohol verhogen de plasmaconcentratie van propranolol en andere β-blokkers die in de lever worden gemetaboliseerd.

Kinidine remt het metabolisme van een aantal β-blokkers, zoals carvediol, metoprolol, nebivolol en propranolol. Bij combinatie van kinidine met één van deze β-blokkers kunnen bradycardie, verminderde hartfunctie en aritmie optreden.

De β-blokkers kunnen het metabolisme van lidocaïne remmen. Het effect zou groter zijn bij lipofiele β-blokkers. Lidocaïne kan het negatief-inotrope effect van propranolol en mogelijk ook van andere β-blokkers versterken.

Ze kunnen ook het metabolisme van theofylline remmen. Verder heeft theofylline enige antagonistische farmacologische effecten.

Combinatie met clonidine kan het risico op een 'rebound'-hypertensie vergroten. Het gebruik van β-blokkers dient daarom te worden gestaakt voordat het gebruik van clonidine wordt gestaakt.

Combinatie met digoxine kan leiden tot een verlengde AV-geleidingstijd en bradycardie.

Er zijn aanwijzingen dat gebruik van β-blokkers het risico op een anafylactoïde reactie door intraveneuze contrastmiddelen kan verhogen.

Inhalatie-anaesthetica kunnen het negatief-inotrope effect versterken.

Antihypertensiva, fenobarbital, fenothiazines, niet-selectieve MAO-remmers, MAO-B-remmers, primidon en tricyclische antidepressiva kunnen het risico op hypotensie verhogen. Bovendien kunnen MAO-remmers het risico op een hypertensieve crisis verhogen.

Combinatie met amiodaron kan ritme- en geleidingsstoornissen veroorzaken, mogelijk door verhoging van de plasmaconcentratie of door additieve farmacodynamische effecten.
Combinatie van flecaïnide met propranolol en kan tot verhoging van de plasmaconcentratie van beide stoffen leiden, met als gevolg versterking van het negatief-inotrope effect. In combinatie met sotalol is bradycardie en AV-block gemeld.

Referenties

  1. Beaufort-Krol GC, et al., Effectiveness of sotalol for atrial flutter in children after surgery for congenital heart disease., Am J Cardiol, 1997, 79, 92-4
  2. ZorgInstituut Nederand, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 17 nov 2014
  3. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 10 april 2018
  4. Läer S, et al., Development of a safe and effective pediatric dosing regimen for sotalol based on population pharmacokinetics and pharmacodynamics in children with supraventricular tachycardia., J Am Coll Cardiol, 2005, 46, 1322-30
  5. Pfammatter JP, et al., New antiarrhythmic drug in pediatric use: sotalol., Pediatr Cardiol, 1997, 18, 28-34
  6. Pfammatter JP, et al, Efficacy and proarrhythmia of oral sotalol in pediatric patients, J Am Coll Cardiol, 1995, 26, 1002-7
  7. Saul JP, et al., Pharmacokinetics and pharmacodynamics of sotalol in a pediatric population with supraventricular and ventricular tachyarrhythmia., Clin Pharmacol Ther, 2001, 69, 145-57
  8. Saul JP, et al., Single-dose pharmacokinetics of sotalol in a pediatric population with supraventricular and/or ventricular tachyarrhythmia., J Clin Pharmacol, 2001, 41, 35-43
  9. Tanel RE, et al., Sotalol for refractory arrhythmias in pediatric and young adult patients: initial efficacy and long-term outcome., Am Heart J, 1995, 130, 791-7
  10. Knudson JD et al., High-dose sotalol is safe and effective in neonates and infants with refractory supraventricular tachyarrhythmias., Pediatr Cardiol. , 2011, Oct;32(7), 896-903

Wijzigingen

  • 11 mei 2015 13:32: De noodzaak tot aanpassing van de dosering bij nierfunctiestoornissen is beoordeeld. Dit heeft geleid tot een gewijzigd advies.
  • 29 januari 2015 20:34: De literatuur over de toepassing vans otalol bij kinderen is opnieuw beoordeeld. Dit heeft geleid tot een wijzging in de maximum dosering van 8 mg/kg/dag naar 10 mg/kg/dag bij kinderen met Ventriculaire en supraventriculaire ritmestoornissen (alle leeftijden). Bron: Knudson 2011