Antipsychoticum met een blokkerende werking op receptoren voor serotonine (o.a. 5-HT2A/2C en 5-HT3), dopamine (D1t/m5), muscarine (m1t/m5), adrenerge (α1) en histamine (H1). De orodispergeerbare tablet is bio-equivalent aan de omhulde tablet. De orodispergeerbare tablet lost snel op in het speeksel en kan gemakkelijk worden ingeslikt. Na i.m. suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte begint de langzame desintegratie van olanzapinepamoaatzout in spierweefsel, wat zorgt voor een continue afgifte van olanzapine gedurende meer dan 4 weken; na 8–12 weken wordt de afgifte steeds minder, na 6–8 maanden is deze voltooid.
De volgende kinetische parameters zijn gevonden in een studie bij 8 adolescenten onder steady state condities bij een orale dosis van gemiddeld 19 mg [Grothe 2000]:
| Cmax (ng/ml) | Tmax (h) | t½ (h) | Cl (l/h) |
|---|---|---|---|
| 115.6 ± 26.7 | 4.7 ± 3.7 | 37.2 ± 5.1 | 9.6 ± 2.4 |
De farmacokinetiek van olanzapine is vergelijkbaar bij adolescenten (13-17 jaar) en volwassenen. In klinische studies was de gemiddelde blootstelling aan olanzapine bij adolescenten ongeveer 27% hoger. Demografische verschillen tussen adolescenten en volwassenen zijn onder meer een lager gemiddeld lichaamsgewicht en minder rokers onder adolescenten. Dergelijke factoren kunnen bijdragen aan een hogere gemiddelde blootstelling bij adolescenten [SmPC Zyprexa].
In een pop-PK studie werden 45 kinderen onderzocht, met een mediane leeftijd van 3,8 jaar (spreiding: 0,2-19,2 jaar) en een gemiddeld lichaamsgewicht van 14,1 kg (spreiding: 4,2-111,7 kg). De kinderen kregen olanzapine voor schizofrenie (n = 1), angststoornissen (n = 10) en ‘andere’ indicaties (n = 34). Na enterale toediening (oraal of via een voedingssonde) van olanzapine was de mediane dosis 0,1 mg/kg (spreiding: 0,03-0,27 mg/kg). Er werd een parabolische relatie waargenomen tussen de halfwaardetijd van olanzapine en de postnatale leeftijd. Langere halfwaardetijden werden waargenomen bij zuigelingen < 5 maanden en kinderen ≥ 6 jaar. Ter vergelijking: kortere halfwaardetijden werden waargenomen bij deelnemers van 6 maanden tot < 6 jaar. Dit patroon kan worden toegeschreven aan de ontogenie van fysiologische processen die de hepatische klaring van olanzapine moduleren, die bij jongere kinderen nog niet volledig zijn volgroeid. De gerapporteerde parameters worden beschreven in de onderstaande tabel [Maharaj 2021].
| PNA (jaren) | N | Cl/F (L/h/kg) | Cl70kg/F (L/h) | Halfwaardetijd (h) |
| <2 jaar | 17 | 0,35 (0,14-1,41) | 7,86 (2,32-31,39) | 18,56 (4,65-46,65) |
| 2 - <6 jaar | 10 | 0,50 (0,18-1,7) | 15,16 (7,23-50,31) | 13,36 (3,86-35,86) |
| 6 - <12 jaar | 11 | 0,24 (0,15-0,78) | 13,96 (6,34-44,71) | 26,92 (8,42-42,72) |
| ≥12 jaar | 7 | 0,23 (0,12-0,47) | 18,69 (8,74-34,01) | 28,93 (14,11-56,44) |
| Geheel | 45 | 0,37 (0,12-1,7) | 12,79 (2,32-50,31) | 17,65 (3,86-56,44) |
Gegevens worden weergegeven als mediaan (min-max)
PNA, postnatale leeftijd; CL/F, schijnbare klaring van olanzapine; en CL70kg/F, schijnbare klaring van olanzapine geschaald naar 70 kg.
Een andere pop-PK studie rapporteerde de kinetische parameters zoals hieronder samengevat. In deze analyse werden 151 kinderen opgenomen, met een mediane leeftijd van 15,34 ± 1,63 jaar (spreiding 10-17) en een mediane lichaamsgewicht van 53,05 ± 12,75 kg (spreiding 25-120). De deelnemers kregen olanzapine in een mediane dosis van 8,24 ± 4,27 mg (bereik 1,25-30). Er werden verschillende doseringsregimes (5-20 mg) gesimuleerd om een streefconcentratie van 20 ng/ml te bereiken. De farmacokinetiek van olanzapine bij patiënten van 10 tot 17 jaar was over het algemeen vergelijkbaar met die bij volwassenen en ouderen [Xiao 2022].
| V/F (L) | 322 |
| t1/2 (h) | 33 |
| Steady state (dagen) | 10 |
| Cl/F (L/h) | 15.4 |
Orodispergeerbare tablet 5 mg, 10 mg, 15 mg, 20 mg
Tablet omhuld 2.5 mg, 5 mg, 10 mg, 15 mg, 20 mg
Poeder vooroplossing voor injectie 10 mg (er zijn geen bezwaren tegen orale of gastro-enterale toediening van de oplossing voor injectie)
Ga snel naar:
| Agitatie en motorische onrust bij Autisme spectrum stoornis (ASS), manie en psychose |
|---|
|
| Anorexia Nervosa |
|---|
|
| Ingrijpmedicatie bij acute psychotische crises |
|---|
|
| Preventie en behandeling van door chemotherapie veroorzaakte misselijkheid en braken (CINV) |
|---|
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Bij adolescenten (13–17 j.) komen sommige bijwerkingen vaker voor dan bij volwassenen, of komen andere bijwerkingen voor [SmPC Zyprexa]:
De volgende bijwerkingen zijn waargenomen bij kinderen van 2 tot 17 jaar:
Gecontroleerde gegevens over de werkzaamheid bij adolescenten (in de leeftijd van 13 tot 17 jaar) zijn beperkt tot kortdurende onderzoeken naar schizofrenie (6 weken) en manie in verband met bipolaire stoornis type I (3 weken), waarbij minder dan 200 adolescenten betrokken waren. Olanzapine werd toegediend in een flexibele dosering, beginnend bij 2,5 mg/dag en oplopend tot 20 mg/dag. Tijdens de behandeling met olanzapine kwamen adolescenten significant meer aan in gewicht dan volwassenen. De omvang van de veranderingen in nuchter totaal cholesterol, LDL-cholesterol, triglyceriden en prolactine was groter bij adolescenten dan bij volwassenen. Er zijn geen gecontroleerde gegevens over het behoud van het effect of over de veiligheid op lange termijn. Informatie over de veiligheid op lange termijn is voornamelijk beperkt tot open-label, ongecontroleerde gegevens [SmPC Zyprexa].
Zeer vaak (> 10%): slaperigheid, orthostatische hypotensie (controleer regelmatig de bloeddruk bij patiënten > 65 j.), gewichtstoename en bij de ziekte van Parkinson verergering van Parkinsonsymptomen en hallucinaties. Gewichtstoename ≥ 7% bij 22% na kortetermijnbehandeling en na langdurige blootstelling (ten minste 48 weken) van ≥ 7%, ≥ 15% en ≥ 25% bij respectievelijk 64,4% , 31,7% en 12,3%. Abnormale loop en vallen bij Alzheimer-patiënten. Verhoging van de plasmaprolactinespiegel (bij 30%) met soms gynaecomastie, borstvergroting, galactorroe en seksuele stoornissen (erectiestoornis, verminderd libido).
Vaak (1-10%): eosinofilie, leukopenie, neutropenie, toegenomen eetlust, verhoogde glucosespiegels, verhoogde triglyceriden- en cholesterolspiegels, glucosurie, lichte, voorbijgaande anticholinergische effecten zoals obstipatie en droge mond; orthostatische hypotensie, duizeligheid, acathisie, parkinsonisme, dyskinesie, asthenie, moeheid, oedeem, koorts. Gewrichtspijn. Voorbijgaande stijging van levertransaminasewaarden (ALAT, ASAT) vooral aan het begin van de behandeling. (Huid)uitslag. Pneumonie, temperatuurverhoging, lethargie, erytheem, visuele hallucinaties en urine-incontinentie bij Alzheimer-patiënten. Stijging van creatinekinase, AF. γ-GT en urinezuur.
Soms (0,1-1%): overgevoeligheid, ontwikkeling of een verergering van een bestaande diabetes in enkele gevallen geassocieerd met ketoacidose of coma, waaronder enkele met een fatale afloop, convulsies, dystonie, tardieve dyskinesie, dysartrie, stotteren, rustelozebenen-syndroom, bradycardie, QT-verlenging, trombo-embolie (incl. longembolie en diepveneuze trombose), epistaxis, opgezwollen buik, speekselvloed, fotosensibilisatie, alopecia, urine-incontinentie, urineretentie, vertraagde urinelozing. Stijging totaal bilirubine.
Zelden (0,01-0,1%): trombocytopenie, onderkoeling, neuroleptisch maligne syndroom, ontwenningsverschijnselen, ventriculaire tachycardie/fibrillatie, plotselinge dood, hepatitis, pancreatitis, rabdomyolyse, priapisme.
Verhoogde mortaliteit en cerebrovasculaire bijwerkingen zijn gemeld bij ouderen met dementie. Verder zijn gemeld: neonataal geneesmiddel onttrekkingssyndroom, geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS).
Na toediening i.m.-injectievloeistof: Vaak: irritatie op injectieplaats, bradycardie, tachycardie, hypotensie. Bij de behandeling van een manische episode werd in combinatie met valproïnezuur een incidentie van 4,1% neutropenie gemeld;
Soms: sinuspauze, hypoventilatie.
In combinatie met lithium of valproïnezuur: zeer vaak een toename van tremor, droge mond en een toename van eetlust en gewicht; vaak een spraakstoornis.
Na toediening i.m.-suspensie met gereguleerde afgifte: vaak pijn op de injectieplaats, minder vaak andere reacties en zelden abces op de injectieplaats; verder is gemeld: het post-injectie syndroom met symptomen van sedatie, delirium en overdosering.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Bij risico van nauwe-kamerhoekglaucoom.
Samenvatting: In verband met sterke metabole bijwerkingen alleen bij wijze van uitzondering voorschrijven. Bij langdurig gebruik behandeling opvolgen vanwege mogelijke gevolgen op het leervermogen. Patiënt informeren omtrent de toename van het lichaamsgewicht. Nuchtere glucosespiegel en lipiden dienen bepaald te worden. Voorzichtigheid is geboden bij leverfunctiestoornissen, diabetes mellitus, convulsies, beenmergdepressie en bij een afwijkend bloedbeeld. Bij hepatitis behandeling staken. Regelmatige klinische controle van de endocrinologische status wordt aanbevolen.
In verband met sterke metabole bijwerkingen dient olanzapine alleen bij wijze van uitzondering voorgeschreven te worden.
Sedatie met olanzapine dient nauwgezet opgevolgd te worden bij adolescenten omdat er mogelijke gevolgen op het leervermogen zijn. Een wijziging in het tijdstip van toediening kan mogelijk de impact van sedatie op de concentratie van adolescenten verbeteren.
Bij het voorschrijven van olanzapine dienen de patiënt en ouders gewaarschuwd te worden voor de toename in eetlust en lichaamsgewicht. Het is noodzakelijk om het basisgewicht te bepalen en verder te volgen. Er wordt aanbevolen om adviezen te geven omtrent dieet en lichaamsbeweging. Voorzichtigheid is geboden bij (risicofactoren voor) diabetes mellitus, convulsies en beenmergdepressie, en bij een laag aantal leukocyten en/of neutrofielen, hypereosinofilie, myeloproliferatieve ziekten.
Voor en tijdens de behandeling met olanzapine dienen de nuchtere glucosespiegel en lipiden bepaald te worden (b.v. na 1 maand, na 3 maanden en later (half)jaarlijks).
Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met leverfunctiestoornissen of bij verhoogde levertransaminasen (ALAT/ASAT). In het geval van verhoogde ALAT en/of ASAT tijdens de behandeling, dient dit periodiek gecontroleerd te worden en een dosisvermindering overwogen te worden. In gevallen waarin hepatitis is gediagnosticeerd dient de behandeling te worden gestaakt.
Het wordt geadviseerd om in het bijzonder patiënten met diabetes en patiënten met risicofactoren voor de ontwikkeling van diabetes mellitus klinisch adequaat te vervolgen waarvoor regelmatige glucosecontrole wordt aanbevolen. Tevens dient er bij dyslipidemische patiënten met risicofactoren voor de ontwikkeling van lipidenstoornissen, lipidenverhogingen klinisch adequaat gereguleerd te worden. Regelmatige controle op extrapiramidale symptomen en andere bewegingsstoornissen wordt ook aanbevolen.
Vanwege de mogelijke effecten van langdurige hyperprolactinemie op groei en seksuele rijping bij adolescenten, moet een regelmatige klinische controle van de endocrinologische status overwogen worden, met inbegrip van metingen van lichaamslengte, gewicht, seksuele rijping, opvolging van menstrueel functioneren en andere mogelijke effecten van prolactine.
Bij mensen met een gestoorde leverfunctie of verhoogde levertransaminasewaarden, periodiek controleren (ALAT en ASAT). Bij hepatitis de behandeling staken. Het risico van tardieve dyskinesie neemt toe bij langdurige therapie. Bij optreden van de eerste symptomen hiervan de dosering verminderen of de therapie staken. Na stoppen kunnen deze symptomen tijdelijk verergeren of zelfs nog ontstaan. Bij symptomen van neuroleptisch maligne syndroom of bij onverklaarde hoge koorts de toediening staken. Bij staken de dosering bij voorkeur geleidelijk verminderen omdat bij abrupt stoppen zeer zelden acute symptomen (transpiratie, tremor, angst, maag-darmklachten) zijn gemeld. Voorzichtigheid is geboden bij prostaathypertrofie of paralytische ileus en verwante aandoeningen, vanwege de anticholinerge werking en omdat klinische ervaring bij comorbiditeit ontbreekt. Het gebruik wordt niet aanbevolen bij geneesmiddel-geïnduceerde psychose bij de ziekte van Parkinson, omdat werkzaamheid niet is aangetoond en zeer vaak een verergering van Parkinsonsymptomen en hallucinaties is gemeld. Het gebruik wordt evenmin aanbevolen bij aan dementie gerelateerde psychose en/of gedragsstoornissen door meer kans op sterfte en CVA. Bij ouderen boven 65 jaar wordt aangeraden regelmatig de bloeddruk te meten. Bij alle gebruikers is glucose controle aangewezen bij de start van de medicatie, na 12 weken en vervolgens jaarlijks. Bij (risicofactoren voor) diabetes mellitus regelmatig glucose controleren op tekenen van verslechtering evenals regelmatige controle op gewicht, bijvoorbeeld bij de start van de medicatie, na 4, 8 en 12 weken en vervolgens iedere kwartaal. Regelmatige controle op lipiden is aangewezen bij alle gebruikers, bv. bij de start van de medicatie, na 12 weken en vervolgens iedere 5 jaar. Bij (risicofactoren voor) lipidenstoornissen, veranderingen in lipiden reguleren. Voorzichtigheid is geboden bij (risicofactoren voor) convulsies en beenmergdepressie, en bij een laag aantal leukocyten en/of neutrofielen, hypereosinofilie, myeloproliferatieve ziekten. De kans op plotselinge hartdood is verdubbeld vergeleken met patiënten die geen (atypische) antipsychotica gebruiken. Voorzichtigheid is geboden met middelen die het QTc-interval verlengen, vooral bij ouderen, het congenitaal lange QT-tijd syndroom (LQTS), congestief hartfalen, hypertrofie van het hart, hypokaliëmie, hypomagnesiëmie. Roken versnelt de eliminatie van olanzapine. Dit middel kan door pupilverwijding de oogdruk verhogen en een aanval van acuut glaucoom veroorzaken. Niet i.m. toedienen bij instabiele medische condities als acuut myocardinfarct, instabiele angina pectoris, ernstige hypotensie en/of bradycardie, sick-sinussyndroom of na een operatie. I.m. toediening is niet onderzocht bij alcohol- of geneesmiddelenintoxicatie. Met name de eerste twee tot vier uur na i.m. toediening van de injectievloeistof is observatie voor hypotensie aangewezen. Na toediening van de suspensie voor injectie met gereguleerde afgifte is vanwege kans op het postinjectiesyndroom (met tekenen van overdosering) minimaal 3 uur observatie in een gezondheidsinstelling aangewezen; voor verlaten van de gezondheidsinstelling klachten of symptomen van overdosering uitsluiten. Verder moet de patiënt ook de rest van de dag bedacht zijn op symptomen van overdosis en niet auto te rijden of machines bedienen.
Olanzapine is substraat voor UGT (hoofdroute), CYP1A2 en CYP2D6.
Relevant:
Afname olanzapine: de concentratie daalt door carbamazepine, lopinavir, rifampicine en ritonavir.
Toename olanzapine: de concentratie stijgt door krachtige CYP1A2-remmers.
Niet relevant: de concentratie daalt door valproïnezuur.
Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met oxcarbazepine.
Niet beoordeeld: geactiveerde kool verlaagt de biologische beschikbaarheid bij orale toediening met 50-60%. De innametijdstippen dienen ten minste 2 uur van elkaar gescheiden te zijn.
Het metabolisme van olanzapine kan worden geïnduceerd door roken. Na klinische controle hiervan kan dosisverhoging worden overwogen en na stoppen met roken kan dosisverlaging worden overwogen.
Interacties antipsychotica algemeen
Relevant: antipsychotica en centrale dopaminerge middelen (Dopaminerge parkinsonmiddelen en Prolactineremmers) kunnen elkaars werking tegengaan. Combinatie wordt daarom ontraden. Antipsychotica kunnen de werking van dopamine tegengaan. Een uitzondering is clozapine, dit kan in lage doses worden toegepast bij psychose bij een parkinsonpatiënt. Als alternatief kan quetiapine worden gebruikt.
Niet relevant: antipsychotica kunnen de werking van dopamine tegengaan. Andersom zal dopamine de werking van antipsychotica niet tegengaan. Dopamine passeert de bloed-hersenbarrière niet en remt daarom niet het centrale dopaminereceptor-blokkerend effect van antipsychotica.
In theorie kunnen antipsychotica en parasympathicolytische parkinsonmiddelen elkaars werking tegengaan.
Niet beoordeeld: de werking van adrenaline wordt verzwakt door antipsychotica met een α1-blokkerende werking
De sedatieve werking van alcohol en andere centraal-depressieve stoffen kan worden versterkt.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| BUTYROFENONDERIVATEN | ||
|---|---|---|
| N05AD08 | ||
|
Haldol
|
N05AD01 | |
|
Dipiperon
|
N05AD05 | |
| INDOOLDERIVATEN | ||
|---|---|---|
|
Latuda
|
N05AE05 | |
| DIFENYLBUTYLPIPERIDINEDERIVATEN | ||
|---|---|---|
|
Orap
|
N05AG02 | |
| DIAZEPINEN, OXAZEPINEN,THIAZEPINEN EN OXEPINEN | ||
|---|---|---|
|
Leponex
|
N05AH02 | |
|
Seroquel
|
N05AH04 | |
| LITHIUMZOUTEN | ||
|---|---|---|
|
Camcolit, Priadel
|
N05AN01 | |
| OVERIGE ANTIPSYCHOTICA | ||
|---|---|---|
|
Abilify
|
N05AX12 | |
|
Invega
|
N05AX13 | |
|
Risperdal
|
N05AX08 | |