Verlaagt de hartfrequentie door een remming van de spontane diastolische depolarisatie in de sinusknoop via een specifieke remming van de cardiale pacemaker If-stroom. Ivabradine heeft eveneens invloed op de retinale Ih-stroom als respons van de retina op felle lichtprikkels. Ivabradine heeft geen effect op intracardiale geleiding, contractiliteit (geen negatief inotroop effect), ventriculaire repolarisatie of perifere weerstand.
Werking: na ca. 1 uur (verlaging hartfrequentie), binnen ca. 3–4 weken (anti-angineuze werking), na 2 weken (bij hartfalen). Werkingsduur: ca. 12 uur.
De farmacokinetiek van ivabradine en de belangrijkste metaboliet S 18982 werd onderzocht bij 70 pediatrische patiënten met gedilateerde cardiomyopathie en symptomatisch chronisch hartfalen in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar, aan wie tweemaal daags ivabradine werd toegediend. De blootstelling aan ivabradine en de metaboliet S 18982 werd gemeten na dosering op basis van het lichaamsgewicht en dosistitratie, bedoeld om een dosis te bereiken die een verlaging van de hartslag met 20% mogelijk maakt zonder bradycardie en/of tekenen of symptomen die verband houden met bradycardie te veroorzaken. Uit analyses bleek dat de relatie tussen blootstelling en hartslagverlaging in alle pediatrische leeftijdsgroepen en bij volwassenen vergelijkbaar was. De blootstelling in steady state aan ivabradine en S 18982 na onderhoudsdoses bij pediatrische patiënten is vergelijkbaar met de blootstelling die wordt bereikt bij volwassen patiënten met hartfalen die 5 mg tweemaal daags krijgen toegediend [FDA-label].
Off-label
Tablet 2,5 mg, 5 mg, 7,5 mg
| Stabiele symptomatisch hartfalen als gevolg van gedilateerde cardiomyopathie |
|---|
|
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
De veiligheid van Corlanor bij pediatrische patiënten van 6 maanden tot 18 jaar is gebaseerd op een klinisch onderzoek bij patiënten met symptomatisch hartfalen, gedilateerde cardiomyopathie en een verhoogde hartslag. Dit onderzoek omvat gegevens van 73 patiënten die gedurende een mediane periode van 397 dagen met Corlanor werden behandeld en 42 patiënten die een placebo kregen. Bradycardie (symptomatisch en asymptomatisch) trad op met een frequentie die vergelijkbaar was met die bij volwassenen. Bij pediatrische patiënten die met Corlanor werden behandeld, werden fosfenen waargenomen [FDA-label].
Zeer vaak (> 10%): vooral tijdens de eerste twee maanden van de behandeling: waarnemen van lichtverschijnselen bij plotselinge variaties in lichtintensiteit (fosfenen). Bij de meerderheid van de patiënten (77,5%) verdwijnen alle fosfenen tijdens de behandeling.
Vaak (1-10%): bradycardie, atriumfibrilleren, eerstegraads AV-blok, ventriculaire extrasystolen. Ongecontroleerde bloeddruk. Hoofdpijn (vaak tijdens eerste behandelmaand), duizeligheid. Wazig zien.
Soms (0,1-1%): hypotensie. Palpitaties, supraventriculaire extrasystolen, verlengd QT–interval, syncope. Dyspneu. Dubbelzien, verstoord gezichtsvermogen, draaiduizeligheid. Asthenie, vermoeidheid. Misselijkheid, obstipatie, diarree, buikpijn. Angio–oedeem, huiduitslag. Spierspasmen. Eosinofilie. Verhoogd creatinine in het bloed, hyperurikemie.
Zelden (0,01–0,1%): erytheem, jeuk, urticaria, malaise.
Zeer zelden (< 0,01%): tweede– of derdegraads AV–blok, sicksinussyndroom.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Inname dient met voeding plaats te vinden [FDA-label].
Bij pediatrische patiënten die met Corlanor werden behandeld, werden bradycardie en eerstegraads hartblok waargenomen. Bij respectievelijk 6,8% en 4,1% van de pediatrische patiënten die met Corlanor werden behandeld, werd asymptomatische en symptomatische bradycardie waargenomen. In de placebogroep had 2,4% van de pediatrische patiënten asymptomatische bradycardie, maar geen enkele patiënt had symptomatische bradycardie. Bradycardie werd behandeld door middel van dosistitratie, maar leidde niet tot stopzetting van Corlanor [FDA-label].
Bepaal de hartfrequentie (met behulp van opeenvolgende hartfrequentiemetingen, ECG of ambulante 24-uursmonitoring) vóór het begin van de behandeling of wanneer titratie wordt overwogen . Start de behandeling alleen bij een hartslag in rust ≥ 70 slagen per minuut.
De conditie van de patiënt, waaronder de bloeddruk en hartfrequentie, nauwkeurig monitoren tijdens de behandeling en na iedere dosisaanpassing. Bij een rusthartfrequentie van < 50 slagen per minuut of bij symptomen van bradycardie (duizeligheid, vermoeidheid, hypotensie) de dosering verlagen en indien geen verbetering optreedt het gebruik staken.
Ivabradine kan bradycardie veroorzaken, waardoor QT-verlenging kan verergeren, met als gevolg ernstige aritmieën, waaronder 'Torsade de pointes'.
Gebruik van ivabradine wordt niet aanbevolen bij atriumfibrilleren en andere ritmestoornissen die de functie van de sinusknoop verstoren, bij tweedegraads AV-blok, acuut CVA en aangeboren QT-syndroom.
Verricht geen elektrische cardioversie binnen 24 uur na de laatste dosis ivabradine, wegens onvoldoende gegevens hierover.
Controleer tijdens de behandeling regelmatig op atriumfibrilleren omdat ivabradine het risico hierop verhoogt. Instrueer de patiënt over de verschijnselen en symptomen van atriumfibrilleren en om contact op te nemen met de voorschrijver als deze zich voordoen. ECG-controle op atriumfibrilleren is noodzakelijk bij bijvoorbeeld verergering van de angina pectoris, palpitaties en een onregelmatige polsslag. Er is meer kans op het ontwikkelen van atriumfibrilleren bij patiënten met chronisch hartfalen of bij combinatie met bepaalde geneesmiddelen (amiodaron, klasse I-anti–aritmica). Patiënten met chronisch hartfalen met intraventriculaire geleidingsstoornissen (linker–/rechter bundeltakblok) en ventriculaire dissynchronie nauwkeurig monitoren. Weeg bij optreden van atriumfibrilleren tijdens de behandeling de voor-en nadelen van het voortzetten van de behandeling nauwkeurig af.
Overweeg bij onverwachte achteruitgang in de visus het gebruik te staken. Ivabradine beïnvloedt de functie van de retina, maar er is geen bewijs voor een toxisch effect op de retina bij een behandeling gedurende 3 jaar.
Voorzichtig bij lichte tot matige hypotensie, hartfalen NYHA-klasse IV, creatinineklaring < 15 ml/min, matige leverfunctiestoornis en retinitis pigmentosa.
Ivabradine is substraat voor CYP3A4.
Relevant:
Afname ivabradine: de concentratie daalt door krachtige CYP3A4-inductoren en etravirine.
Toename ivabradine: de concentratie stijgt door atazanavir, krachtige CYP3A4-remmers, diltiazem, fosamprenavir en verapamil.
Overig effect: ivabradine kan het QTc-interval verlengen, het risico op ernstige hartritmestoornissen is verhoogd bij combinatie met andere middelen waarbij ernstige hartritmestoornissen zoals torsade de pointes zijn gemeld. Zie verder inleidende tekst Interactielijsten, QTc-verlengers.
Niet beoordeeld:
Grapefruitsap kan de biologische beschikbaarheid verhogen door remming van CYP3A4. Volgens de fabrikant nam de blootstelling aan ivabradine bij gelijktijdig gebruik van grapefruitsap met een factor 2 toe. De fabrikant raadt daarom aan het gebruik van grapefruitsap te beperken. Bij kortdurend gebruik van 1 glas of 2 grapefruits per dag is het risico op bijwerkingen echter laag.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| PROSTAGLANDINES | ||
|---|---|---|
|
Prostin VR
|
C01EA01 | |
| OVERIGE CARDIACA | ||
|---|---|---|
|
Adenocor
|
C01EB10 | |
| C01EB06 | ||
|
Pedea
|
C01EB16 | |