Captopril

Stofnaam
Captopril
Merknaam
ATC code
C09AA01
Apotheek icon
Voor ouders op Apotheek.nl
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

Off-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Niet geregistreerd voor kinderen.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Tablet 6,25 mg, 12.5 mg, 25 mg, 50 mg
Drank 1 mg/ml

Eigenschappen

Remt het 'angiotensine converting enzyme' (ACE), dat angiotensine I omzet in angiotensine II. De plasmarenine-activiteit neemt toe, de aldosteronsecretie en de vasopressoractiviteit nemen af. Heeft tevens een remmend effect op de inactivering van bradykinine. Door perifere vaatverwijding neemt de voor- en nabelasting van het hart af en daalt de bloeddruk, zonder belangrijke toename van het hartminuutvolume en reflextachycardie. Bij diabetes mellitus met proteïnurie met/zonder hypertensie vermindert de toename van de albuminesecretie en de afname in glomerulaire filtratiesnelheid.

Kinetische gegevens

Er is hier op dit moment nog geen informatie over beschikbaar.

Doseringen

Indicatie: Decompensatio cordis, hypertensie
  • Oraal
    • a terme neonaat
      • Startdosering: 0,03 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: titreren op geleide van het effect tot max 2 mg/kg/dag in 3 doses
      • In verband met het risico op ernstige hypotensie, verdient het de voorkeur om eerst een testdosis van 0,01 mg/kg te geven.

    • 1 maand tot 1 jaar
      • Startdosering: 0,3 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: titreren op geleide van het effect tot max 4 mg/kg/dag in 3 doses
      • In verband met het risico op ernstige hypotensie, verdient het de voorkeur om eerst een testdosis van 0,1 mg/kg te gegeven.

    • 1 jaar tot 18 jaar
      • Startdosering: 0,3 mg/kg/dag in 3 doses
      • Onderhoudsdosering: titreren op geleide van het effect tot max 6 mg/kg/dag in 3 doses
      • In verband met het risico op ernstige hypotensie, verdient het de voorkeur om eerst een testdosis van 0,1 mg/kg te gegeven

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Aanpassingen als volgt:

GFR 50-80 ml/min/1.73 m2
Dosisaanpassing is niet nodig.
GFR 30-50 ml/min/1.73 m2
50 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 8 uur . Vervolgens doseren op geleide van effect. De creatinine- en kaliumconcentratie moeten worden gecontroleerd binnen 2 weken na start van de behandeling en vervolgens ten minste 1x per jaar, afhankelijk van de klinische conditie van de patiënt.
GFR 10-30 ml/min/1.73 m2
50 % van normale keerdosis en interval tussen twee doseringen: 8 uur . Vervolgens doseren op geleide van effect. De creatinine- en kaliumconcentratie moeten worden gecontroleerd binnen 2 weken na start van de behandeling en vervolgens ten minste 1x per jaar, afhankelijk van de klinische conditie van de patiënt.
GFR < 10 ml/min/1.73 m2
Een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Klinische gevolgen

ACE-remmers verlagen de intraglomerulaire filtratiedruk en verminderen proteïnurie. Hierdoor hebben ze waarschijnlijk op de lange termijn een beschermend effect op de nierfunctie. Om deze reden wordt in de tweede lijn bij verminderde nierfunctie vaak de hoogst mogelijk getolereerde dosering gegeven. Bij start van een ACE-remmer kan de serumcreatinineconcentratie stijgen als gevolg van afname van de intraglomerulaire filtratiedruk.

ACE-REMMERS

ACE-REMMERS

Benazepril

Cibacen
C09AA07

Enalapril

Renitec
C09AA02

Lisinopril

Zestril
C09AA03

Ramipril

Tritace
C09AA05

Bijwerkingen bij kinderen

Prikkelhoest, exantheem, rash, smaakverlies, proteïnurie, nefrotisch syndroom, neutropenie en bloedbeeldafwijkingen. ACE-remmers kunnen (ernstige) hypotensie veroorzaken na instellen van de behandeling en bij dosisverhoging, met name bij neonaten en bij bepaalde risicogroepen met ernstig hartfalen, renine-afhankelijke hypertensie, significante volume- en/of natriumdepletie of bij dialyse. Vooral bij nierinsufficiëntie en hartfalen kunnen ACE-remmers het serumkaliumgehalte verhogen.Bij prematuren met een zeer laag geboortegewicht zijn nierfunctiestoornissen gemeld.

Bijwerkingen bij volwassenen

Vaak (1–10%): droge prikkelhoest (niet–productief), dyspneu. Misselijkheid, braken, diarree, obstipatie, buikpijn, droge mond, smaakverlies, gewichtsafname. Duizeligheid, slaapstoornissen. Overgevoeligheidsreacties waaronder huiduitslag (soms met koorts, artralgie, eosinofilie), jeuk, angio-oedeem. Alopecia. Soms (0,1–1%): tachycardie, tachyaritmie, angina pectoris, pijn op de borst, palpitaties. Hypotensie, fenomeen van Raynaud, voorbijgaande roodheid van het gezicht en hals, bleekheid, vermoeidheid, malaise. Zelden (0,01–0,1%): anorexie. Slaperigheid, hoofdpijn, paresthesie. Stomatitis, afteuze ulcera, intestinaal angio-oedeem. Nierfunctiestoornissen waaronder nierinsufficiëntie, polyurie, proteïnurie, oligurie, verhoogde mictiefrequentie. Zeer zelden (< 0,01%): neutropenie, agranulocytose, pancytopenie (vooral bij nierinsufficiëntie), aplastische/hemolytische anemie, trombocytopenie, lymfadenopathie, eosinofilie, auto–immuunziekten en/of aanwezigheid van antinucleaire antistoffen. Hyperkaliëmie, hypoglykemie. Verwarring, depressie. Anafylactoïde reacties. Cerebrovasculair accident (beroerte en syncope), hartstilstand, cardiogene shock. Onscherp zien. Bronchospasme, rinitis, allergische alveolitis of eosinofiele pneumonie. Glossitis, maagzweer, pancreatitis. Leverinsufficiëntie, cholestase, hepatitis (inclusief necrose). Nefrotisch syndroom. Urticaria, Stevens–Johnsonsyndroom, erythema multiforme, fotosensibilisatie, erytrodermie, pemfigoïde reacties, exfoliatieve dermatitis. Myalgie, artralgie. Impotentie, gynaecomastie. Koorts. Verlaagd serumnatrium, verhoogde concentratie in het bloed van ureum-stikstof (BUN), serumcreatinine, bilirubine, stijging van leverenzymwaarden. Verlaagd hematocriet, verhoogde bezinkingssnelheid van erytrocyten (BSE).

 

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij volwassenen

Angio-oedeem in de anamnese (al dan niet in verband met een ACE-remmer). Overgevoeligheid voor ACE-remmers.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

In geval van een gestoorde nierfunctie dient de dosering aangepast te worden. Voorzichtigheid is geboden bij neonaten; zelfs zeer lage doseringen kunnen tot ernstige hypotensieve reacties leiden, dosering dient klinisch bepaald te worden. Klinische instelling is tevens aangewezen bij ernstig hartfalen, ernstige volume- en/of zoutdepletie, ernstige renine-afhankelijke hypertensie, dialyse en indien een aanzienlijke bloeddrukdaling riskant is zoals bij ischemische hartziekten en cerebrovasculaire aandoeningen. Vanwege de kans op neutropenie de patiënt aanraden om gedurende de eerste drie maanden van de behandeling bij tekenen van infecties onmiddellijk de arts te waarschuwen. Vooral bij verminderde nierfunctie en in het bijzonder indien deze gepaard gaat met collageenziekten of behandeling met immunosuppressiva dient het bloedbeeld (m.n. het aantal leukocyten), te worden gecontroleerd vanwege het vergrote risico van neutropenie. Voorzichtigheid is geboden bij nierarteriestenose en bij combinatie met diuretica. Alleen toedienen bij voldoende hydratie.Voor en tijdens gebruik bij zuigelingen dienen nierfunctie, bloeddruk en saturatie routinematig gecontroleerd te worden.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Vanwege het risico van een ernstige hypotensieve reactie is klinische instelling op ACE-remmers aangewezen bij ernstig hartfalen, ernstige volume- en/of zoutdepletie, ernstige renine-afhankelijke hypertensie, dialyse en indien een aanzienlijke bloeddrukdaling riskant is zoals bij ischemische hartziekten, cardiovasculaire en cerebrovasculaire aandoeningen. Er is meer kans op hyperkaliëmier , diabetes mellitus, een gestoorde nierfunctie of plotseling achteruitgaande nierfunctie, dehydratie, metabole acidose, acuut hartfalen en verhoogde celafbraak (ischemie, trauma, rabdomyolyse). Voorzichtigheid is geboden bij aortastenose en hypertrofische cardiomyopathie. Om het risico van een ernstige hypotensieve reactie te minimaliseren dient men een bestaande diuretische therapie bij voorkeur 2–3 dagen vóór instelling op een ACE-remmer te staken. Met name bij ernstig hartfalen, renovasculaire hypertensie, gestoorde nierfunctie en in het bijzonder bij bilaterale stenose van de a. renalis of bij unilaterale stenose bij slechts één functionerende nier, zoals na een niertransplantatie, dient men rekening te houden met (acute) achteruitgang van de nierfunctie en dient instelling op ACE-remmers klinisch te geschieden. Bij reeds verminderde nierfunctie vóór en regelmatig tijdens de therapie het eiwitgehalte in de urine bepalen. Bij dialyse met 'high flux' membranen en bij LDL-aferese via dextransulfaatabsorptie gelijktijdig gebruik van ACE-remmers vermijden vanwege een risico van ernstige snel optredende anafylactoïde reacties. Ook bij desensibilisatie tegen dierlijke gifstoffen zijn anafylactoïde reacties beschreven en is voorzichtigheid geboden met ACE-remmers. Er is meer kans op anafylactische reacties na een beet of steek van o.a. mieren, bijen en wespen. Hypotensie die tijdens anesthesie/operatie optreedt als gevolg van geblokkeerde angiotensine II-vorming kan worden gecorrigeerd door volumevergroting. Bij optreden van angio-oedeem de toediening onmiddellijk staken; indien de zwelling de tong, glottis of larynx betreft en er kans is op luchtwegobstructie, tevens zo snel mogelijk adrenaline i.m. toedienen. Ook bij alleen een zwelling van de tong (zonder ademnood) de patiënt langdurig (ten minste 12-24 uur) observeren omdat de behandeling met antihistaminica en corticosteroïden mogelijk niet afdoende is. Ook intestinaal angio-oedeem is gemeld bij gebruik van ACE-remmers. Vanwege de kans op neutropenie de patiënt aanraden om gedurende de eerste drie maanden van de behandeling bij tekenen van infecties (keelpijn, koorts of algehele malaise) onmiddellijk de arts te waarschuwen. Vooral bij verminderde nierfunctie en in het bijzonder indien deze gepaard gaat met collageenziekten of behandeling met immunosuppressiva dient het bloedbeeld (m.n. het aantal leukocyten), te worden gecontroleerd vanwege het vergrote risico van neutropenie. Bij optreden hiervan de toediening staken. Niet toepassen bij kinderen omdat veiligheid en effectiviteit bij dezen niet zijn onderzocht. Captopril kan een fout-positieve reactie op aceton in de urine geven. Bij ontwikkeling van icterus of stijging van leverenzymwaarden de behandeling staken. ACE-remmers en angiotensine II-antagonisten zijn minder effectief tegen hypertensie bij negroïde dan bij niet-negroïde mensen.

 

Interacties

Niet beoordeeld:
er zijn aanwijzingen dat combinatie met azathioprine het risico op neutropenie vergroot. Het risico op overgevoeligheidsreacties kan toenemen door allopurinol.

Interacties RAAS remmers algemeen:
Relevant:

RAAS-remmers versterken het effect van: diuretica. Bij patiënten die een diureticum gebruiken is de plasma-renine-activiteit verhoogd. Bij toevoegen van een RAAS-remmer aan een diureticum kan hierdoor een versterkt hypotensief effect optreden. Bij toevoeging aan een lisdiureticum moet de startdosering van de RAAS-remmer worden verlaagd; tijdelijk staken van het lisdiureticum is niet gewenst bij hartfalen. Bij toevoeging aan een thiazide zijn er twee mogelijkheden, namelijk een lagere startdosering van de RAAS-remmer of tijdelijk (2 dagen) staken van het thiazide.

De toxiciteit van lithium kan toenemen doordat de uitscheiding wordt geremd.

Overig effect: NSAID's kunnen de werking van de RAAS-remmer verminderen. Hierdoor kan hartfalen weer of meer manifest worden, en kan de antihypertensieve werking afnemen. Dit effect kan al optreden binnen enkele dagen na start van het NSAID en is vooral van belang bij ernstig hartfalen. De combinatie wordt bij voorkeur vermeden bij hartfalen. Indien dit niet mogelijk is, moet de nierfunctie worden gecontroleerd en te sterke ontwatering worden vermeden.

Bij hypertensie kan de antihypertensieve werking van de RAAS-remmer worden verzwakt, vooral bij nierfunctiestoornis. Bij NSAID-gebruik tot 2 weken is dit weinig relevant. Bij de overige indicaties van een RAAS-remmer, zoals secundaire preventie na een myocardinfarct of bij nefropathie, dient de nierfunctie te worden gecontroleerd.

Kaliumsparende diuretica en kaliumzouten kunnen het effect op de kaliumconcentratie versterken, met als gevolg hyperkaliëmie. De plasmakaliumconcentratie moet worden gecontroleerd. Combinatie met een kaliumzout wordt bij voorkeur vermeden.

Bij combinatie met trimethoprim of co-trimoxazol kan hyperkaliëmie optreden; de plasmakaliumconcentratie moet worden gecontroleerd.

Bij combinatie met everolimus, sirolimus of temsirolimus is angio-oedeem gemeld.

Niet beoordeeld: de hypoglykemische werking van bloedglucoseverlagende middelen kan worden versterkt door ACE-remmers.

Combinatie met anesthetica kan het hypotensieve effect versterken.

Combinatie van ACE-remmers met estramustine of DPP-4-remmers (linagliptine, saxagliptine, sitagliptine, vildagliptine) vergroot het risico op angio-oedeem.

Combinatie van twee verschillende RAAS-remmers, waardoor dubbele blokkade van het RAAS-systeem ontstaat, verhoogt het risico op hypotensie, flauwvallen, beroerte, hyperkaliëmie en verminderde nierfunctie (waaronder acuut nierfalen).

Referenties

  1. Friedman WF, et al, New concepts and drugs in the treatment of congestive heart failure., Pediatr Clin North Am, 1984, 31, 1197-227
  2. ZorgInstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 12 okt 2014
  3. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 12 juni 2018
  4. Levy M, et al., Captopril pharmacokinetics, blood pressure response and plasma renin activity in normotensive children with renal scarring., Dev Pharmacol Ther, 1991, 16, 185-93
  5. Pereira CM, et al., The pharmacokinetics of captopril in infants with congestive heart failure., Ther Drug Monit., 1991, 13, 209-14
  6. Mirkin BL, et al., Efficacy and safety of captopril in the treatment of severe childhood hypertension: report of the International Collaborative Study Group, Pediatrics, 1985, 75, 1091-100
  7. Montigny M, et al., Captopril in infants for congestive heart failure secondary to a large ventricular left-to-right shunt., Am J Cardiol., 1989, 63, 631-3
  8. National High Blood Pressure Education Program Working Group on High Blood Pressure in Children and Adolescents., Fourth report on the diagnosis, evaluation, and treatment of high blood pressure in children and adolescents., Pediatrics, 2004, 114, 555-76
  9. Scammell AM, et al., Captopril in treatment of infant heart failure: a preliminary report., Int J Cardiol., 1987, 16, 295-301
  10. Shaw NJ, et al, Captopril in heart failure secondary to a left to right shunt, Arch Dis Child, 1988, 63, 360-3
  11. Orchard EA, et al, Use of captopril in paediatric congestive cardiac failure: early effects on blood pressure and renal function, Arch Dis Child, 2010, 95, 566-7
  12. Gantenbein MH, et al, Side effects of angiotensin converting enzyme inhibitor (captopril) in newborns and young infants, J Perinat Med, 2008, 36, 448-52
  13. Sunder RA, et al, Captopril induced hyperkalemia in a child, Paediatr Anaesth, 2009, 19, 404-5
  14. Tan LH, et al, Captopril induced reversible acute renal failure in a premature neonate with double outlet right ventricle and congestive heart failure, World J Pediatr, 2011 , Feb;7(1), 89-91

Wijzigingen

  • 21 november 2016 11:41: Beoordeling nierfunctieadvies; nu aanpassing nodig vanaf GFR <50 ml/min/1,73m2 (ipv 80 ml/min/1,73m2)
  • 30 november 2015 11:39: Aanpassing advies bij nierfunctiestoornissen obv SmPC