Tekenencefalitis vaccin

Stofnaam
Tekenencefalitis vaccin
Merknaam
FSME-Immun, FSME-Immun junior
ATC code
J07BA01
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

On-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Actieve (profylactische) immunisatie tegen tekenmeningo-encefalitis
1-15 jaar: 3 doses (0,25 ml) op 0 maanden, 1-3 maanden en 5-12 maanden
>15 jaar: 3 doses (0,5 ml) op 0 maanden, 1-3 maanden en 5-12 maanden na de 2de vaccinatie

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Inj.susp. 4.8 µg/ml 0.5 ml; 
Inj.susp. "junior" 4.8 µg/ml 0.25 ml

Eigenschappen

Gezuiverd, geïnactiveerd tekenencefalitisvirusvaccin. Toediening leidt tot het ontstaan van anti-FSME antilichamen (= 'Frühsommer-Meningoenzephalitis') tegen het tekenencefalitisvirus, een flavivirus en veroorzaker van tekenencefalitis. Binnen twee weken na de eerste dosis is nog geen beschermend effect te verwachten. Na de tweede dosis treedt bij circa 90% seroconversie op, na de derde dosis bij circa 98%. Het beschermend effect duurt ten minste drie jaar.

Kinetische gegevens

Er is hier op dit moment nog geen informatie over beschikbaar.

Doseringen

Indicatie: Immunisatie tegen tekenencefalitis
  • Intramusculair
    • 1 jaar tot 16 jaar
      [1]
      • 1,2 microg./dosis 3 doses waarvan de eerste 2 doses bij voorkeur tijdens de winter voor het begin van het tekenseizoen worden gegeven met 1-3 maanden tussentijd (bij versneld schema met 14 dagen tussentijd), en de derde dosis 5-12 maanden na de tweede dosis
      • revaccineren met 1 dosis 3 jaar na de basisimmunisatie en vervolgens elke 5 jaar.

    • ≥ 16 jaar
      [1]
      • 2,4 microg./dosis 3 doses waarvan de eerste 2 doses bij voorkeur tijdens de winter voor het begin van het tekenseizoen worden gegeven met 1-3 maanden tussentijd (bij versneld schema met 14 dagen tussentijd), en de derde dosis 5-12 maanden na de tweede dosis
      • revaccineren met 1 dosis 3 jaar na de basisimmunisatie en vervolgens elke 5 jaar

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.

VIRALE VACCINS

ENCEPHALITISVACCINS
J07BA02
INFLUENZAVACCINS

Influenzavaccin

Influvac, Vaxigrip
J07BB02
HEPATITISVACCINS

Hepatitis A vaccin

Havrix Junior, Havrix, Vaqta, Avaxim
J07BC02

Hepatitis B vaccin

Engerix B Junior; HBVaxPro
J07BC01
PAPILLOMAVIRUSVACCINS
J07BM02
VARICELLAZOSTERVACCINS

Varicella vaccin

Provarivax
J07BK01
MAZELENVACCINS
J07BD52
ROTAVIRUSDIARREEVACCINS
J07BH01
GELEKOORTSVACCINS

Gelekoortsvaccin

Stamaril
J07BL01

Bijwerkingen bij volwassenen

Zeer vaak (> 10%): pijn en gevoeligheid op de injectieplaats.

Vaak (1-10%): zwelling en verharding rond injectieplaats, anorexie, rusteloosheid (bij kinderen), vermoeidheid, malaise. Koorts die binnen 24–48 uur afneemt. Frequentie van koorts neemt af met het aantal vaccinaties en hangt af van de leeftijd, bij jonge kinderen treedt vaker koorts op. Misselijkheid. Hoofdpijn. Artralgie, myalgie.

Soms (0,1-1%): lymfadenopathie. Braken.

Zelden (0,01-0,1%): buikpijn, diarree. Vertigo. Overgevoeligheidsreactie.

Verder zijn gemeld: visusstoornissen (troebel zien, fotofobie). Tinnitus. Dyspneu. Loopstoornis, duizeligheid, neuritis, convulsies, encefalitis, demyelinisatie, meningisme, aseptische meningitis, (facialis)parese, hypo-esthesie, paresthesie. Huiduitslag, o.a. erytheem, jeuk, urticaria, overmatig zweten. Tachycardie. Griepachtige verschijnselen, asthenie, oedeem. Verergering van een auto-immuunziekte. Herpes zosterinfectie.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij volwassenen

Actieve infectieziekte gepaard gaande met koorts. Ernstige overgevoeligheid voor kippeneiwit. Overgevoeligheid voor gentamicine of neomycine. Overgevoeligheid voor latex, omdat de verpakking latex kan bevatten.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Het vaccin biedt géén bescherming tegen infecties veroorzaakt door Borrelia spp. (bv. ziekte van Lyme) die eveneens door tekenbeten worden overgebracht. De symptomen ervan kunnen lijken op die van een tekenencefalitis. Wees voorzichtig bij auto-immuunziekten zoals multipele sclerose of iridocyclitis, omdat vaccinatie een acute fase van deze ziekten kan uitlokken; ook voorzichtig bij bestaande hersenaandoeningen. In geval van een tekenbeet vóór of binnen 2 weken na de eerste vaccinatie kan het toedienen van een tweede dosis het ontstaan van tekenencefalitis niet voorkomen. Bij personen met een verzwakte immuunstatus wordt aangeraden de antilichaamtiters te controleren en zo nodig te revaccineren. Bij serologische testen rekening houden met eventueel reeds bestaande antistoffen tegen andere flavivirussen (bv. Japanse encefalitisvirus, gelekoortsvirus, denguevirus) vanwege kruisreactiviteit die kan leiden tot valspositieve resultaten.

Interacties

Gelijktijdig geven van vaccins

  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met andere dode vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • dode (geïnactiveerde) vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • parenteraal toegediende levende vaccins mogen in dezelfde zitting worden toegediend met oraal toegediende levende vaccins. Er hoeft geen interval te worden aangehouden tussen het toedienen van deze vaccins;
  • twee parenteraal toegediende levende vaccins worden bij voorkeur met een interval van ten minste 4 weken toegediend. Reden hiervoor is het induceren van de productie van interferonen gedurende 1-2 weken door het ene vaccin, die kunnen interfereren met de immuunrespons op het andere vaccin. Indien dit niet mogelijk is, kunnen ze ook tegelijkertijd worden toegediend.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten

Deze kunnen specifieke antistoffen bevatten tegen het virus in het toegediende levende virusvaccin, waardoor de immuunrespons kan worden verzwakt. Het levende virusvaccin dient ten minste 14 dagen voor (bij varicellavaccin wordt aangegeven 1 maand) of ten minste 6 weken na (bij voorkeur 3 maanden, bij varicellavaccin wordt aangegeven 5 maanden) toediening van immunoglobulinen, bloed of bloedproducten te worden gegeven.

Van zostervaccin is niet bekend of het een interactie geeft met bloedproducten; er hoeft geen interval te worden aangehouden.

Immunoglobulinen, bloed en bloedproducten van Nederlandse donoren bevatten geen antistoffen tegen het gelekoortsvirus; deze mogen gelijktijdig worden gegeven met het gelekoortsvaccin.

Relevant:

Levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde DMARD's, veel oncolytica (inclusief een aantal tyrosinekinaseremmers en monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking, zie aldaar)) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectieziekte veroorzaken. Deze combinaties moeten worden vermeden. Combinatie met corticosteroïden is in het algemeen gecontraïndiceerd zolang het corticosteroïd immunosuppressie veroorzaakt, met name bij systemisch gebruik langer dan 2 weken, echter niet bij suppletie en niet bij lokale toepassing (behalve bij grote oppervlakken onder occlusie).

Tijdens het gebruik van monoklonale antilichamen die immunomodulerend werken (zie aldaar) kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken, en kan vaccinatie sowieso niet of minder effectief zijn gezien het ontbreken van een adequate immuunrespons. De combinatie moet worden vermeden.

Niet-levende vaccins: tijdens het gebruik van middelen die immunosuppressief werken (immunosuppressiva, corticosteroïden, bepaalde DMARD's, veel oncolytica (inclusief een aantal tyrosinekinaseremmers en monoklonale antilichamen met immunosuppressieve werking, zie aldaar)) kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan. Griepvaccinatie wordt sowieso aanbevolen bij personen met verminderde weerstand tegen infecties (bijvoorbeeld door immunosuppressieve medicatie of chemotherapie).

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met lokaal toegediend pimecrolimus of tacrolimus.

 

Referenties

  1. Pfizer BV. , FSME-Immun (RVG 30108) 27-06-2017, www.geneesmiddeleninformatiebank.nl
  2. Informatorium Medicamentorum, (Interacties, verminderde nierfunctie), Geraadpleegd 05 sept 2017
  3. ZorgInstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 05 sept 2017

Wijzigingen

  • 05 september 2017 10:27: NIEUW TOEGEVOEGD